Veteranenziekte

Tussen het station van de Japanse stad Nagasaki en de fabrieken van Mitsubishi, waar de torpedo's voor Pearl Harbour werden vervaardigd, lag vanaf 25 april 1943 het krijgsgevangenenkamp Fukuoka–14 tot het op 8 augustus 1945 door de tweede atoombom werd vernield. Eerst werden daar 301 krijgsgevangenen uit Java ondergebracht, daarna aangevuld met enkele Engelsen, Australiërs en Amerikanen en op 24 juni 1944 met 212 drenkelingen uit een oud Frans schip, de Tomohoku Maru met gevangenen uit Nederlands- Oost-Indië.

Voor hun komst, al in de winter van 1943/44, stierven in korte tijd totaal 54 man. De kamparts ontdekte een kwaadaardige longontsteking, een onbekende ziekte met hevige benauwdheid die na enkele dagen voor velen dodelijk was. In augustus 1944 volgde een nieuwe epidemie met 16 sterfgevallen.

De artsen dachten dat de ziekte werd veroorzaakt door ondervoeding en kouvatten. Zij wisten niet van een bacterie in het gezamenlijke warme washok met waterdamp. Toen ik voor het eerst over de veteranenziekte hoorde werd het me duidelijk dat het uitzonderlijk hoge percentage van ruim 20 procent sterfgevallen van Fukuoka–14 te wijten moest zijn geweest aan de legionella-bacterie.