Serviërs bereiden zich al weken voor

De Serviërs hebben zich de afgelopen weken voorbereid op aanvallen van de NAVO. Die voorbereiding kwam al kort na de verdaging van de Kosovo-conferentie in Rambouillet op gang.

Al vlak na `Rambouillet' is kennelijk in Belgrado besloten dat van de hervatting van het Kosovo-overleg in Parijs, midden deze maand, niets meer mocht worden verwacht. In de weken tussen `Rambouillet' en die hervatting in Parijs hebben de Serviërs op allerlei manieren duidelijk gemaakt dat ze geen enkel vertrouwen meer hadden in een speurtocht naar een regeling. Internationale bemiddelaars en diplomaten werden vernederd, geschoffeerd en met lege handen weggestuurd, waarnemers en hulporganisaties in Kosovo getreiterd en geprovoceerd, er werden arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen de Albanese onderhandelaars met wie in Rambouillet was gesproken en de Albaneestalige pers werd het verschijnen onmogelijk gemaakt.

Bovendien begonnen de Servische politietroepen en het Joegoslavische leger in Kosovo een groot offensief, dat nog steeds doorgaat. Dat offensief had diverse doelen. In eerste instantie moesten de grensregio's worden `gezuiverd' van strijders van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK. Het leger en de politie begonnen hun campagne in de streek rond de grens met Albanië en zetten haar voort langs de grens met Macedonië, het gebied dat een in dat zuidelijke buurland gelegerde NAVO-strijdmacht zou moeten doorkruisen als de NAVO eventueel zou besluiten tot een invasie van Kosovo.

De campagne ging, als altijd, gepaard met een `etnische zuivering' van het gebied. De Albanese dorpelingen werden verdreven, hetzij richting binnenland, hetzij de grens met Macedonië over. Dorpen werden huis voor huis platgebrand om het gebied onbewoonbaar te maken en het UÇK elke mogelijkheid te ontnemen om de dorpen als uitvalsbases te gebruiken of zich er te verbergen.

In een volgende fase kwam het binnenland aan de beurt, vooral in het noorden van Kosovo en in de Drenica, de bergachtige regio in het centrum van Kosovo waar het UÇK zijn belangrijkste bolwerken heeft. Het UÇK is militair niet weg te vagen: de strijders van het guerrillaleger slippen moeiteloos van de identiteit van burger in die van soldaat en omgekeerd. Maar het Bevrijdingsleger is wel te beroven van steunpunten, voorraden en bewegingsvrijheid. De Servische politie heeft zich in de Drenica en in het noorden van Kosovo vooral beziggehouden met het `vrijmaken' van de doorgangswegen die politie en leger in geval van een open oorlog moeten gebruiken. Dat betekende en betekent dat alle Albanese dorpen langs die wegen moesten worden vernietigd, en dat is wat nu al enige tijd elke dag gebeurt: huizen worden opgeblazen, mijnen worden gelegd, vee wordt gedood, hooibergen gaan in vlammen op. Zo worden `veilige' corridors geschapen voor leger en politie, met een zo klein mogelijke kans op aanslagen en hinderlagen.

Tevens werd de militaire presentie in Kosovo drastisch uitgebreid. De omvang van de speciale politie-eenheden werd vergroot tot 14- à 16.000 man, die van het leger tot 17- à 20.000 man, met aan de grens nog eens vijf- tot tienduizend man.

Tegelijkertijd werd de afgelopen weken de Servische bevolking psychologisch bewerkt en klaargestoomd voor de eventualiteit van NAVO-aanvallen. De bevolking werd de rol van martelaar aangepraat: de hele boze wereld spande weer eens samen tegen het kleine, onschuldige en zo goed als weerloze Servië, dat niets anders deed dan zijn eigen territoriale onschendbaarheid verdedigen tegen Albanese separatisten. De Serviërs, zo stelde Mirjana Markovic, de invloedrijke echtgenote van Miloševic, zijn ,,de indianen van Europa, de Koerden van Europa, de joden van deze tijd''. Maar, zo zei ze, ,,de Serviërs zullen zich niet laten afslachten door de tiran van de twintigste eeuw'', de Verenigde Staten. Of die campagne is geslaagd, is niet duidelijk. Volgens peilingen geniet Miloševic de steun van tachtig procent van de Serviërs – maar peilingen zijn onbetrouwbaar in een land waar het regime alles controleert.

In de militaire campagne sinds `Rambouillet' hebben de Serviërs zich, afgezien van de zuidelijke grensstreek bij Macedonië, vooral gericht op het noorden en midden van Kosovo. Dit heeft het vermoeden gewekt dat een oud verdelingsplan weer uit de la is gehaald, voor alle eventualiteiten. In het verleden is wel, als een mogelijke oplossing van het probleem-Kosovo, gesuggereerd het gebied te delen in een gebied dat bij Servië zou blijven en een deel dat de Kosovo-Albanezen zou worden toegewezen. Het `Servische' deel van Kosovo zou de belangrijkste economische hulpbronnen – de mijnen – en niet alle, maar wel de belangrijkste kerken en kloosters en andere historische monumenten van de Serviërs moeten omvatten. De Serviërs hebben zo'n verdeling steeds afgewezen, maar het militaire optreden van de laatste weken doet vermoeden dat ze niet tot de onmogelijkheden hoort.