Reis

Dit is voor St. Petersburg een uitputtende winter, die nooit voorbij lijkt te gaan. In augustus was de stad nog vrolijk en opgewekt, toen werd de roebel speelgoedgeld, daarna kwam de kou, bedrijven gingen failliet, bouwprojecten vielen stil, en nog fluit er geen vogel. Het Varsjavski-station is weinig anders dan een vlakte met rails en perrons, waar sommige wagons staan te roken als locomotieven. De kolenkachels worden weer opgestookt.

Ik reis in een klein salonnetje, met twee bedbanken van rood pluche, rode gordijnen, witte vitrage, en plastic bloemen op tafel. Mijn medepassagier heet Andrej Morozovs, hij handelt in scheepsbenodigdheden. De trein gaat rijden, het wordt snel donker, en we drinken samen twee flessen leeg. We praten over zijn dertienjarige dochter en haar lijfblad `Callgirl', over de lichtheid van Poesjkin en over de treinhoeren in Litouwen. Een wagon verder is het een opeenstapeling van mensen, liggend op uitgeklapte planken, boeren met rode koppen, verlegen soldaten, gerimpelde oma's. Mijn bed schudt zachtjes, de koppelingen kraken, ergens uit de gang klinkt zachte muziek, buiten ligt eindeloze sneeuw, daarboven de sterren.

In Vilnius is het half vijf in de ochtend. Het is er doodstil. Vier grijze mannen kijken naar de lichten en de trein, hun gezichten strak van de kou, hun visgerei in de hand, zwijgend. Dan loop ik door de hoofdstraat, en overal zijn er opeens Duitse huizen, Amerikaanse reclames, Italiaanse cafés, Zweedse hotels, alsof deze binnenstad door een onzichtbare stolp van de winter is gescheiden.