Leven in Luxland

Luxemburg is met afstand de rijkste lidstaat van de Europese Unie en benadert zelfs de rijkdom van Zwitserland. Deze welvaart berust op twee pijlers. De belangrijkste bron van inkomsten wordt gevormd door een sterk ontwikkeld systeem van bankgebouwen, opgesteld in eindeloze rijen buiten de stad aan grote boulevards zonder trottoirs maar met veel parkeerplaatsen. Ze zijn opgetrokken in marmer, staal en spiegelglas. Ieder kan hier zijn overtollige geld kwijt, desgewenst op nummerrekening, no questions asked. De Nederlander wordt in de eigen taal geholpen en de bankafschriften worden verzonden in neutrale verpakking. Gegeven het bankgeheim en de lage belastingtarieven is ook voor de talrijke postbusbedrijfjes een belastingvlucht naar de Kaaiman-eilanden overbodig. Ongemoeid verrichten ze hun lucratieve administratieve handelingen.

Verder heeft Luxemburg een groot aantal Europese instellingen naar zich toe weten te trekken, getuige een even indrukwekkend aantal futuristische mammoetkantoren, zonder marmer maar evenzeer met staal en spiegelglas waarin vele Romeins genummerde DG's en aanverwante instanties aan tienduizenden Europese ambtenaren werk en inkomen verschaffen. In de stad Luxemburg is meer dan de helft der bewoners hoog opgeleid, goed betaald gastarbeider, een unicum in de wereld.

Om zoveel Europese instellingen binnen te halen is gezorgd voor aantrekkelijke randvoorwaarden zoals nauwelijks belaste benzine, ook voor toeristen op weg naar het zuiden alleen al een stop meer dan waard. Van het succes van deze strategie getuigt het idiote aantal benzinepompen op de doorgaande wegen. Het is geen toeval dat het RTL-imperium, dat grote delen van Europa via een U-bocht straffeloos van commerciële televisie voorziet, in Luxemburg gevestigd is.

Luxemburg heeft zich, ingeklemd tussen twee grootmachten, succesvol staande weten te houden door een houding van onopvallendheid, aanpassing en dienstbaarheid. Ook het Letzenburgs, een onverstaanbaar en onnavolgbaar mengelmoesje van het naburige Platfrans en Platduits is daar een illustratie van. Voor de buitenlanders hebben de Luxemburgers overigens ook de officiële, wel verstaanbare varianten van het Frans en Duits in huis, en bovendien een aardig mondje Engels. De middenstand heeft vaak zelfs Nederlands in huis. Ook de Luxemburgse vlag maakt dat Nederlanders zich onmiddellijk thuis voelen.

Het als typisch Nederlands gekenschetste motto `doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' is niet in Nederland, maar in Luxemburg uitgevonden, en wordt nergens overtuigender beleden. Voorzover hier nog van enig nationalisme sprake is, uit zich dit in de naamgeving van instanties en organisaties. De luchtvaartmaatschappij heet Luxair, de autoverhuur Luxrent, de melk Luxlait, de kaas Luxkäs en de spoorweg Luxrail. Vele pagina's van het verder zo bescheiden nationale telefoonboek zijn met Lux-firma's gevuld. De Luxemburgse frank, voorspelbaar de flux geheten, is gekoppeld aan de Belgische frank. Dat de flux heel wat harder is dan de Belgische frank, maar dat de flux toch in België nauwelijks geaccepteerd wordt – terwijl het omgekeerde wel het geval is – deert de Luxemburgers niet. Je gaat met de buren geen ruzie maken en met de komst van de euro zal dat onrecht vanzelf verdwijnen.

De afstand van de Luxemburgse bestuurders tot de weinig talrijke bevolking is gering. Persconferenties van ministers worden in de brasserie gehouden en hoofdzakelijk door buitenlandse journalisten bezocht, onder het genot van een croissant en een Luxbiertje. De kranten, tweetalig, in het Duits en het Frans, bevatten overwegend dorpsnieuws over weggelopen huisdieren en winkelopeningen. Voor zover de lezer een glimp over de Luxgrens gegund wordt, straalt de berichtgeving iets meewarigs af: die Russen toch, met hun armoede en corruptie, en die Amerikanen toch, met hun schandalen.

Het Luxemburgs nachtleven is armetierig. Het wordt belichaamd door slechts één schaars verlicht lokaal dat reeds voor twaalven sluit: Luxclub.