Een voorproef?

Jean Monnet, die wel eens de vader van Europa wordt genoemd, zou tegen het eind van zijn leven gezegd hebben dat, als hij het over moest doen, hij niet zou beginnen met de economische, maar met de culturele integratie van Europa. 't Is mooi gezegd, maar wat hebben we aan zo'n uitspraak?

Monnet kan niet bedoeld hebben dat er meer uitwisselingen van balletuitvoeringen en schilderijententoonstellingen moesten komen en meer programma's voor buitenlandse studenten aan Europese universiteiten. Dat zijn zeker wenselijke zaken, maar meer belangstelling voor de cultuur van andere – en dan vooral Europese – volken betekent nog geen culturele integratie.

Trouwens: er zijn oude nationale staten die trots zijn op hun onafhankelijkheid, die niet cultureel geïntegreerd zijn. Zwitserland bijvoorbeeld. Niettemin is dit een levensvatbaar land gebleken. Minder levensvatbaar bleek ten slotte de Sovjet-Unie, maar haar ondergang was niet te wijten aan het gebrek aan integratie van haar verscheidene culturen, maar aan haar politieke systeem.

Het is misschien naar om het te zeggen, maar waar culturele integratie zich heeft voltrokken, is dat meestal het gevolg van een langdurige overheersing van een of meer culturen door één andere – een culturele overheersing die doorgaans het gevolg is van een demografische of militaire overheersing. Het is duidelijk dat dit niet de bedoeling van het democratische Europa kan zijn.

Culturele integratie als beleidsdoel van een democratisch Europa lijkt dus een onderneming die bij voorbaat tot mislukking gedoemd is. Wat dat betreft is de aan Monnet toegeschreven uitspraak dus een loze kreet, op z'n best een retorische truc die het goed doet op banketten en herdenkingsbijeenkomsten.

Maar hoe gratuit die uitspraak ook is, zij is uiting van een teleurstelling over een op zichzelf onbetwistbare waarheid; er is niet één Europese cultuur, er is een veelvoud aan Europese culturen, en zolang dat zo is, is een politieke integratie langs democratische weg moeilijk te bereiken en economisch-monetaire integratie wellicht niet bestand tegen zware crises.

Of het collectieve aftreden van de Europese Commissie als zo'n zware crisis gekwalificeerd moet worden is nog de vraag – er zal wel een mouw aan gepast worden; ja, het kan zelfs een prikkel zijn tot een relance – maar zeker is dat de crisis, zwaar of niet, die dat aftreden heeft doen ontstaan, in de eerste plaats een culturele crisis is.

Immers, het ging om kwesties als corruptie en vriendjespolitiek. Het rapport van de vijf `wijze mannen' dat voor de Commissie aanleiding was af te treden, mag dan op sommige punten onbillijk zijn, niet te ontkennen is dat er in Europa, en dus ook in de Commissie, grote verschillen in opvatting bestaan over wat fatsoenlijk is en wat niet – verschillen die in wezen culturele verschillen zijn.

Dat een minister of een Europese Commissaris vrienden, ook wanneer die de nodige kwalificaties missen, in zijn of haar staf benoemt en niet te nauw toeziet op de besteding van gelden, dat wordt in de zuidelijke Europese landen – te beginnen met Frankrijk – als de gewoonste zaak van de wereld beschouwd. Dit hóórt daar gewoon tot de politiek, dat wil zeggen: tot de macht. Anders is er geen plezier aan.

Mevrouw Cresson zal dan ook oprecht verbaasd zijn geweest dat er zo'n ophef over gemaakt werd dat zij een vriend een goed betaalde onderzoeksopdracht had gegeven op een terrein waar hij geen verstand van had en dat hij daarvoor herhaaldelijk missies moest ondernemen naar Châtellerault, een plaats waar zij toevallig burgemeester en hij tandarts was.

In een land waar de president in zijn vorige functie van burgemeester van Parijs mensen op de gemeentelijke loondienst zette die uitsluitend werkzaam waren voor de partij waarvan hij voorzitter was; waar de voorzitter van de Constitutionele Raad, eveneens in een vorige functie (die van minister van Buitenlandse Zaken), een maîtresse had die op de loonlijst van een oliemaatschappij stond en hem dus dure cadeaus kon geven (ongetwijfeld in de hoop op tegenprestaties) – in zo'n land zijn mevrouw Cressons zonden peanuts.

Noordelijker landen, hoewel ook niet altijd smetteloos, denken daar anders over. Hun normen zijn in elk geval anders. Zij achten zulke praktijken ontoelaatbaar. Het is geen kwestie van gelijk of ongelijk, maar van verschillende culturen. Het is niet dan natuurlijk dat deze verschillen zich ook uiten in de praktijk van regeren en administratie.

Zeker, de arme Santer was geen sterke voorzitter, maar de regeringen van de lidstaten hebben in 1994 juist geen sterke voorzitter gewild, na tien jaren van uiterst krachtig bewind van Jacques Delors. Het is dus onbillijk Santer nu de schuld van alles te geven (afgezien van het feit dat hij ook wel goede dingen heeft gedaan).

En was de sterke Delors dan zo'n ideale voorzitter? Hij had ongetwijfeld visie en doorzettingsvermogen, maar voor de kleine details had hij geen geduld. Zijn dadendrang was groter dan het Brusselse apparaat kon behappen. Vandaar dat er grote opdrachten werden verleend aan externe organisaties, waar corruptie welig kon tieren. Misschien was Delors, behalve ongeduldig, ook te veel doordrenkt van de Franse cultuur, waarin deze zaken er gewoon bij horen.

Zulke verschillen kunnen niet van de ene dag op de andere ongedaan gemaakt worden, zelfs niet door een betere voorzitter dan Santer was. Die kan op z'n hoogst wat kurieren am Symptom. Die culturele verschillen zullen blijven en zich blijven uiten. Ja, de kans bestaat dat ze scherper worden naarmate de integratie voortschrijdt. Naast elkaar levende volken kunnen heel goed met culturele verschillen leven. Dat wordt moeilijker naarmate ze inniger met elkaar moeten samenwerken. Wat dat betreft is de crisis waarin Santer ons gestort heeft, misschien slechts een voorproef.