De revolutie van de gezagsgetrouwen

Sinds begin deze maand zijn de onderzoekers van de Dienst Landbouw- kundig Onderzoek niet meer in dienst bij het ministerie van Land- bouw. De onderzoekers waren in de jaren tachtig onderdeel van het Groene Front, de toen nog stevige coalitie tussen de landbouw- sector en het ministerie van Landbouw. Maar de afhankelijkheid van het ministerie wordt minder. Er wordt hard gewerkt aan een marktgerichte organisatie met een open cultuur.

Een vliegmaatschappij en een landbouwkundig onderzoeksinstituut. Dat gaat samen. Een paar jaar geleden stapte KLM naar het DLO-instituut voor Agrotechnologisch Onderzoek (ATO-DLO) in Wageningen. KLM vervoert veel paprika's en tomaten, en ze wilde afnemers de garantie geven dat de tuinbouwproducten tijdens de vliegreis niet bederven. Het ATO-DLO haalde er een plantenfysioloog bij, een verpakkingstechnoloog en een programmeur, en kwam met een oplossing. KLM meet nu met een door het ATO ontwikkeld apparaatje de ingangskwaliteit van de groente. Dit voert ze in in een computermodel, evenals het klimaat in het vliegtuig en de reistijd. Uit de computer rolt de te verwachten kwaliteit op het moment van aankomst. KLM weet of ze kwaliteitsgarantie kan geven of niet.

Dr. Hans van der Schild, hoofd Marketing en Public Relations en sinds 1969 werkzaam bij DLO, wijst op de vele disciplines die het ATO in huis heeft om zulke praktische problemen op te lossen. ,,Er is geen tweede ATO-DLO in de wereld'', zo weet hij. ,,Men is ze wel aan het bouwen. Laatst kwamen er nog Zweedse ambtenaren kijken. Het bedrijfsleven had ze gestuurd, want het wilde in Zweden ook zo'n instituut. Wij zeiden toen: Kom maar bij ons. Nederland ligt toch vlakbij?''

Het ATO-DLO, waar onderzoekers werken aan eiwitten, zetmeel, voedselverwerking, vlasvezels, bioplastic en aan nog veel meer, haalt inmiddels tachtig procent van zijn budget `uit de markt'. Uit de markt, wil in Wageningen zeggen dat het geld níet afkomstig is van het ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij. Van alle elf onderzoeksinstituten van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) haalt het ATO-DLO het meeste geld uit de markt. Een plusje voor het ATO, nu de privatisering van de landbouwonderzoeksinstituten formeel bijna is afgerond. Drie februari heeft de Staat de rijksgebouwen overgedragen aan de Stichting DLO; 1 maart gingen 2.200 personeelsleden over van het ministerie van Landbouw naar de Stichting DLO; per juni volgt de rest, 800 personeelsleden.

In 1970 financierde het toenmalige ministerie van Landbouw nog zo'n dertig landbouwonderzoeksinstituten met elkaar overlappende taken. De instituten veredelden gewassen, deden plantenfysiologisch onderzoek, verbeterden de veehouderij, experimenteerden met teeltsystemen, zochten toepassingen voor bijvoorbeeld aardappelzetmeel, en ondersteunden het landbouwbeleid. Het ministerie en de onderzoeksinstituten waren nauw met elkaar verbonden. Den Haag definieerde bij wijze van spreken tot op de pen nauwkeurig waar de instituten het geld aan moesten uitgeven. Van het onderzoek van DLO kwam weinig naar buiten. Bij het publiek had de instelling niet de bekendheid die TNO had, terwijl de Nederlandse landbouw duidelijk wel met problemen kampte.

,,Ikzelf kom uit Rotterdam en vond Wageningen altijd wel een besloten wereld'', zegt econoom en akkerbouwer prof. dr. C. Veerman, voorzitter van de raad van bestuur van het nieuwe Wageningen Universiteit en Researchcentrum. ,,DLO was erg gericht op het ministerie, want daar kwamen de centen vandaan. Het ministerie was weer nauw verbonden met de sector, die ook wel gesloten was; men sprak niet voor niks van het Groene Front.''

Op de instituten heerste een hiërarchische cultuur waarin men niet zomaar zijn mond tegen de baas opendeed. Tegelijkertijd hadden de onderzoekers op wetenschappelijk gebied een ongekende vrijheid omdat het ministerie geen eisen stelde aan de onderzoeksresultaten. ,,De beleidsdirecties riepen weleens wat'', vertelde een DLO-manager eens tegen het vakblad LT-journaal, ,,Maar dan hingen de onderzoekers gewoon een ander labeltje aan hun onderzoek.'' Zo kon het gebeuren dat een medewerker jarenlang een schadelijk aaltje of schimmeltje onderzocht, zonder dat hem of haar ooit werd gevraagd naar toepasbare resultaten. En áls de landbouwkundigen iets belangwekkends vonden voor de praktijk, publiceerden ze het in wetenschappelijke tijdschriften of gaven ze het weg aan bedrijven. Het was niet de gewoonte resultaten ook te patenteren, of anderszins te gelde te maken.

Al in 1986 besloot de overheid dat de instituten van DLO zelfstandig moesten worden, zoals de onderzoeksinstituten van TNO dat ook zijn. Maar toen was DLO daar nog lang niet aan toe. De instituten kampten met vergrijzing en verouderde gebouwen. Aan de fusies en pijnlijke reorganisaties, nodig om de bezuinigingen op te vangen en om het onderzoek efficiënter maken, was de logge Dienst nog maar net begonnen.

Inmiddels is de situatie een stuk rooskleuriger. Afgelopen jaren verrees in Wageningen het ene spiksplinternieuwe gebouw na het andere. Allemaal nog betaald door het ministerie van Landbouw. Dankzij de vele fusies zijn er nu nog elf grotere instituten over; het moeten er uiteindelijk zeven worden. Veel mensen zijn met vervroegd pensioen gegaan, waardoor het personeelsbestand zich kon verjongen.

De relatie met het ministerie is zakelijker geworden. ,,Het geeft het geld nu op basis van programma's'', vertelt dr. Siebe van der Geijn, onderzoeksmanager op het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvrucht- baarheidsonderzoek (AB-DLO) in Wageningen, en dertig jaar bij DLO werkzaam. ,,Er wordt precies omschreven wat de onderzoekers moeten doen, en welke producten eruit moeten komen. De vrijheid om zelf onderzoek te kiezen is sterk ingeperkt.''

De onderzoeksmanagers hebben geleerd alert te zijn op de mogelijkheid te patenteren, en opdrachten uit de markt te halen. DLO heeft bijvoorbeeld een klimaatprogramma dat zich de vraag stelt welke invloed bepaald landgebruik heeft op de emissie van broeikasgassen. De hiervoor ontwikkelde gewasgroeimodellen zijn toepasbaar te maken voor alle soorten klanten die de CO2-uitstoot willen terugbrengen.

,,Op het klimaatprogramma werken nu tien mensen op geld van het ministerie van Landbouw, en tien mensen op geld van andere partijen zoals de EU en de NASA'', zegt Van der Geijn. ,,We zouden ook voor Shell kunnen werken. Of voor de Zweedse regering. Om de internationale onderhandelingen aan te gaan heeft deze immers dezelfde informatie nodig als de Nederlandse regering. Wat gebeurt er met de CO2-uitstoot als je landbouwgrond vervangt door bos, of als je de bosaanplanting aanpast? Hoe definieer je bos en herbebossing?''

Het streven van DLO is om ten minste vijftig procent van het onderzoeksbudget van andere partijen te verkrijgen dan van het ministerie van Landbouw. Zo wil het de afhankelijkheid van deze grote klant beperkt houden. Volgens de organisatie komt nu nog zestig procent van het ministerie. Daarbij zijn er wel verschillen tussen de instituten. Instituten die direct interessant zijn voor de verwerkende of de toeleverende industrie, zoals het ATO-DLO, halen inmiddels vijftig tot tachtig procent uit de markt. Instituten die meer zijn gericht op de zogeheten Groene Ruimte, zoals het teeltkundig instituut AB-DLO en het Instituut voor Bos en Natuur (IBN-DLO), halen twintig tot veertig procent uit de markt. Voor hen bestaat `de markt' voornamelijk uit andere ministeries, gemeentes, provincies en de EU.

,,Voor deze instituten is er eigenlijk geen echte markt'', analyseert drs. Johannes Roseboom, econoom op het ISNAR, een internationale adviesdienst voor landbouwonderzoeksinstituten. ,,Buitenlandse overheden stappen naar hun eigen landbouwkundige instituten. En zolang dat gebeurt, zal ook het ministerie van Landbouw niet gauw een buitenlands instituut raadplegen, want het wil de continuïteit van de Nederlandse instituten in stand houden. Pas als de EU het concurrentiebeding gaat uitbreiden naar de dienstensector, kan dat nationalistisch denken veranderen.''

Was er wel een goed functionerende internationale onderzoeksmarkt, dan zou DLO het waarschijnlijk niet slecht doen. Volgens Roseboom lopen de Nederlandse landbouwonderzoeksinstituten voorop in het marktgericht denken, er is veel expertise, en ze zitten goed in de instrumentaria.

Voorlopig zijn de landbouwkundige instituten nog wel even bezig met veranderen. De volgende grote operatie betreft een vergaande samenwerking van de DLO-instituten met de Landbouwuniversiteit en het Praktijkonderzoek, onder de nieuwe naam Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR). Met het aanstellen van een gezamenlijke raad van bestuur en Veerman als voorzitter, kreeg het nieuwe centrum vorig jaar een eerste impuls.

,,De klant kan straks in Wageningen UR terecht bij vijf loketten: Plant, Dier, Agrotechnologie, Groene Ruimte en Maatschappij'', schetst Veerman op zijn kamer de toekomst. Bij klanten denkt de bestuursvoorzitter aan bedrijven, studenten, overheden en maatschappelijke groeperingen. Binnenlandse, en vooral buitenlandse klanten.

Als het aan Veerman ligt, worden de ramen van Wageningen UR wijd opengezet. Van een nieuw Groen Front – bestaande uit de DLO-instituten, de Landbouwuniversiteit en het Praktijkonderzoek – moet hij niks hebben. Openheid en debat staan, naast klantgerichtheid en onderlinge samenwerking, boven aan zijn verlanglijstje. ,,Een open cultuur'', zo licht Veerman toe, ,,is oog hebben voor wat in de samenleving speelt, deelnemen aan het maatschappelijk debat en ook positie kiezen. Daarbij moet men niet te benauwd zijn om verschillende standpunten onder ogen te zien, ook al kan dat rumoer opleveren.''

Een eerste proeve van bekwaamheid leverde eind januari de Denktank Varkenshouderij met haar rapport `Mythen en Sagen in de varkenshouderij'. De onderzoekers, voornamelijk van DLO, oefenden publiekelijk scherpe kritiek uit op het varkensbeleid – Terwijl het ministerie opdrachtgever was en het op dat moment met dat beleid in een gerechtelijke procedure verwikkeld was. Ook dat ministerie is veranderd. Een ambtenaar van Landbouw zei op de persconferentie zelfs het rapport te waarderen, al onderschreef hij de conclusies niet.

Veerman wil ook meer openheid en debat ín Wageningen UR. Toen hij er anderhalf jaar geleden aankwam, verbaasde hem de gezagsgetrouwe cultuur bij DLO. ,,Mensen zaten tegen mij te knikken terwijl ik aan hun gezicht zag dat ze het er niet mee eens waren.'' Volgens de voorzitter is er nog een `geweldige cultuuromslag' te maken, zowel intern als extern. ,,We staan nog maar aan het begin.''