Culturele instellingen moeten innovatief bezig zijn

Kunstenaars moeten buiten de traditionele verbanden iets van grote maatschappelijke waarde produceren. Dat is de enige juiste definitie van cultureel ondernemerschap, menen Arjo Klamer en Olav Velthuis.

Kunstenaars vrezen dat zij zich in driedelig pak moeten steken

Staatssecretaris van Cultuur Van der Ploeg blijkt zo gecharmeerd te zijn van het begrip cultureel ondernemerschap, dat de kunstwereld in alle staten is. Cultureel ondernemerschap doet aan economie, markten en commercie denken en daar moeten velen in die wereld niets van hebben. Het is jammer dat het deze uitwerking heeft. Want het kan ook anders.

Van der Ploeg doet er alles aan om de zinnen in de richting van de markt te wenden. Te pas en te onpas benadrukt hij het belang van de consument, zoals een econoom betaamt. In een brief aan de Tweede Kamer laat de staatssecretaris weten dat `het markteconomisch instrumentarium' beter gebruikt dient te worden: ,,De cultuur moet meer dan voorheen leren hoe ze het marktmechanisme moet bedienen.'' Het begrip `cultureel ondernemerschap' past mooi in deze strategie; vooralsnog lijkt het niet meer te zijn dan een eufemisme voor meer marktwerking in de culturele sector. Vandaar dat kunstenaars vrezen dat zij zich en masse in driedelig pak moeten gaan steken; vandaar dat medewerkers van culturele instellingen verwachten dat zij onder zachte dwang andermaal cursussen in management en marketing moeten volgen. De rillingen lopen hun over de rug.

Voordat de kunstliefhebbers Van der Ploeg met rotte tomaten gaan bekogelen, doen ze er goed aan te weten dat hij niet persoonlijk verantwoordelijk is voor de introductie van het begrip `cultureel ondernemerschap'. Het circuleerde al voor zijn komst naar het ministerie van OC&W. Dat hij zelf met het begrip zou zijn komen opdraven, is des te onwaarschijnlijker omdat de ondernemer in de economische theorie die hij aanhangt niet voorkomt. Vreemd genoeg veronderstelt de standaard economische theorie dat individuen uitsluitend rationeel en calculerend te werk gaan, en dat doen culturele ondernemers juist niet. Misschien is Van der Ploeg daarom niet altijd even duidelijk in zijn hantering van `cultureel ondernemerschap'. Ten onrechte wekt hij de indruk dat ondernemerschap betekent dat culturele instellingen zakelijker moeten worden, meer flexibel ook, en meer aan publiciteit moeten doen en dat beeldend kunstenaars berekenende verkopers dienen te worden. Dat zou het kunnen betekenen, maar cultureel ondernemerschap zal zich ook buiten de markt manifesteren. De Fransman Cantillon (ca. 1680-1734) is voorzover bekend de eerste denker die een centrale plaats in de economie toedichtte aan de figuur van de ondernemer, oftewel de `entrepreneur'. Daarbij dacht hij aan iemand die op eigen initiatief en voor eigen voordeel buiten de traditionele verbanden om, iets van maatschappelijke waarde realiseerde.

Dat beeld was ongebruikelijk in een tijd waarin mensen gewend waren tradities te volgen en te doen wat hun door een of andere autoriteit opgedragen werd. De `entrepreneur' kreeg evenwel pas echt gestalte in de eerste helft van deze eeuw in het werk van de Oostenrijkse aristocraat en beroemd econoom Joseph Schumpeter. Zijn entrepreneurs zijn niet de ondernemers van nu (de Boonstra's, Kalffs, en Van Lede's) – want dat zijn bestuurders – maar het zijn de mannen en vrouwen die creatief en innovatief zijn en het lef hebben om ondernemingen op te zetten die in alle redelijkheid onmogelijk lijken. `Entrepreneurs' zijn mensen die met routines en tradities breken. De hedendaagse econoom Israel Kirzner voegde nog de eigenschap van alertheid toe: entrepreneurs grijpen kansen die andere redelijke of geroutineerde mensen laten liggen.

Inmiddels weten we dat creativiteit, durf, een zekere roekeloosheid, en alertheid niet voldoende zijn als eigenschappen van de succesvolle entrepreneur. Cruciaal is het vermogen andere, minder ondernemende, geesten te overtuigen mee te doen. Het idee om in Amsterdam een groot Park van de Toekomst in te richten op het terrein van de Westergasfabriek, met tal van optredens en andere culturele evenementen is snel bedacht. In de realisering ervan laten de ware ondernemers zich kennen, want dan blijkt dat bestaande routines en structuren tekortschieten. Tal van partijen, waaronder de deelnemers, de stedelijke autoriteiten, potentiële financiers, vrijwilligers en uiteindelijk ook de bezoekers, moeten overtuigd worden om hun energie, geld, tijd en aandacht op te offeren voor zo'n waanzinnig project. Dat is heel wat anders dan ieder jaar weer volgens een officieel kunstenplan de gebruikelijke reeks voorstellingen te produceren voor een min of meer vast publiek.

Met commercie hebben de vermogens waarover de ondernemer moet beschikken weinig te maken. Er schuilt dan ook een zekere ironie in het feit dat juist nu het bedrijfsleven lonkend naar de kunstwereld kijkt wegens haar creatieve potentieel, de staatssecretaris van kunstenaars verlangt dat zij zich commercieel gaan opstellen. Ondernemend zijn de toneelmakers die toneelvoorstellingen realiseren buiten de gebaande wegen, zoals `Het Toneel Speelt', dat individuen en organisaties probeert te overtuigen bondgenoot te worden met een stevige financiële bijdrage, en schouwburgen partners te maken in haar onderneming (bijna onmogelijk, zo blijkt, met een overheid die toneel zo royaal bedeelt). Ondernemend zijn ook jonge kunstenaars zoals in het kunstenaarsinitiatief Orgacom, die het geijkte kunstcircuit verlaten en binnen allerlei maatschappelijke organisaties en bedrijven hun projecten proberen te realiseren. In al deze voorbeelden van cultureel ondernemerschap is de markt van ondergeschikt belang. Creatief, gedurfd, alert, en overtuigend kunnen mensen ook in de overheidssfeer zijn, en wat de kunsten betreft ook nog eens buiten de markt en de overheid om. Cultureel ondernemend is het om mensen die anders weinig over hebben voor de kunsten, zodanig bij een kunstinstelling te betrekken dat ze er wel wat aandacht, tijd en geld voor over hebben. In die zin is cultureel ondernemerschap van essentieel belang voor nieuwe impulsen in de kunstwereld.

Van der Ploeg heeft in zoverre gelijk dat bestaande structuren dodelijk kunnen zijn voor cultureel ondernemerschap. Maar dat geldt net zo goed voor geroutineerde marktprocessen als voor gebureaucratiseerde subsidieregelingen. De ware culturele ondernemers zullen gebruik maken van de bijzondere kwaliteiten van de kunsten en mensen op grond van die kwaliteiten overtuigen. In het algemeen doen ze er goed aan zich verre van de commercie te houden – en niet al te dicht op de schoot van de overheid te kruipen. Cultureel ondernemerschap heeft immers ook te maken met het realiseren van alternatieve organisatievormen en financieringsstructuren binnen de kunstwereld. Daar zijn creatieve, een beetje roekeloze, alerte, en overtuigende mensen voor nodig.

Arjo Klamer en Olav Velthuis zijn als econoom verbonden aan de vakgroep Kunst en Cultuurwetenschappen van de Erasmus universiteit.