Wagenaar zet Galilei in zijn cantate stil

`Eppur si muove' – en toch beweegt zij – met dat gezegde is Galileo Galilei (1564-1642) de geschiedenis ingegaan. Hij heeft het niet eens gezegd, maar zoals dat gaat met hardnekkige legendes: hij had het gezegd kunnen hebben. Diderik Wagenaar is gefascineerd door de astronomie en schreef een driedelige cantate gewijd aan Galilei's bewijs dat de aarde om de zon draait en niet andersom. Het eerste deel beleefde vrijdag in Alkmaar zijn première bij het Noordhollands Philharmonisch Orkest en het Nederlands Theaterkoor.

De tekst is ontleend aan het tractaat Siderus Nuncius (Sterreboodschap) uit 1610 waarin Galilei de `planeten van Medici' beschrijft, zijn ontdekking van Jupiters satellieten. De conclusie luidt: ,,Onze waarneming maakt duidelijk dat er vier planeten rond Jupiter draaien, zoals de maan draait rond de aarde en alle met Jupiter tegelijkertijd rond de zon bewegen in een grote baan van twaalf jaar tijdsduur.''

In het tweede deel van Wagenaars compositie volgt het commentaar van kardinaal Roberto Bellarmino, die Galilei's conclusie onverenigbaar acht met de Heilige Schrift. Het slotdeel is gebaseerd op het pleidooi van Blaise Pascal in een brief aan de jezuïeten van 1657.

Zowel het gegeven van Galilei als het spel van de planeten inspireerde componisten, Hanns Eisler bijvoorbeeld. Zo streefde Charles Ives in zijn onvoltooid gebleven Universe Symphony naar `The eternal pulse and planetary motion of the Earth and universe'. Zo ver wilde Wagenaar niet gaan. Wel lijkt de opzet van statische strijkers en drukke blazers enigszins op die van Ives' Unanswered Question. Het begin met zijn slingerende beweging van fagotten, klarinetten, fluit en piccolo weet te boeien. Ook de erop volgende geheimzinnig en loom pendelende beweging wekt verwachtingen. Maar als de agressie doorzet met klokkenspel, vibrafoon en twee piano's als aanjagers, klinkt het mij te bulldozerig, al is het koor in eenvoudige drieklanken zo overzichtelijk mogelijk gehouden. Dit kan ook aan de weinig geacheveerde uitvoering hebben gelegen. Daarbij bevond het koor zich te geïsoleerd van het orkest, hoog gezeten rechts op het balkon, een communicatief moeizame opstelling, waarbij een versmelting zoals van sopranen met fluit en trompet niet mogelijk was.

Het meest genoten heb ik van de meer kamermuzikale inbreng, en ditmaal wel degelijk overtuigend uitgevoerd, in Bruno Maderna's Tre liriche greche voor sopraan, koor, enkele blazers en slagwerk uit 1948. Het laatste deel beschrijft een sterrennacht en leek daarme een goede inleiding op Wagenaar. Maar dat pakte anders uit. Wagenaar schildert in grote blokken en Maderna penseelt fijntjes en behoedzaam. Wagenaars muziek is in wezen statisch, die van Maderna beweegt.

Concert: Noordhollands Philharmonisch Orkest en Nederlands Theaterkoor o.l.v. Lucas Vis. Gehoord 19/3 Theater De Vest Alkmaar. Herhaling 25/3 Concertgebouw Haarlem.