Verwinkeling

De lente komt er aan, de vogels bouwen nestjes en in de modieuze media barsten met volle kracht de `voorjaarstrends' los. In bladen en op beurzen leuren interieuradviseurs de nieuwe woonkleuren uit: veel geel dit jaar, zeggen ze, van vanillegeel fluweel tot warm oranje wanden. Nee, prevelen anderen, blauw en oud hout moet het zijn, zongebleekte vloerdelen, natuurstoffen in aquamarijn. Weer anderen komen met Thaise dozen en antieke Finse kinderbedjes, de vondsten rollen over elkaar heen.

Het publiek vergaapt zich. Het leert dat je 's zondags zo ontspannen met het gezin kunt ontbijten als je op zaterdag enig oud roze glaswerk en een Indonesische eettafel hebt gekocht. En dat een verweerde, ruwhouten bank een heel bijzondere side-table kan worden, of een sfeerhoekje. Zover het oog reikt is alles even doordacht, maar tevens speels en informeel.

Het is om van te braken.

Wat is er precies zo erg aan de handig ge-stylede suggesties van damesbladen en meubelwinkels, verffabrikanten en Ariadne Wonen? Aan die hele lawine van spulletjes en woordjes die tegemoetkomt aan een geheimzinnige aandoening waarvan zoveel Nederlanders last schijnen te hebben, namelijk `woonwensen'? Waarom stemt het mij niet alleen treurig, maar zelfs kwaad?

Je kunt zoiets bijna niet meer zeggen, maar zelf houd ik van huizen, van kleuren en oude dingen. Ik vind dit mooi en dat lelijk, prefereer het eerste... maar als ik de Eigen Huis & Interieur opensla, ontvalt mij op slag iedere lust om ooit nog een vinger uit te steken naar mijn eigen inrichting. Ga weg met je rustieke aardewerk en je Eileen Grey-bijzettafel, donder op met je Zweedse krijtkleuren.

Interieur? Ik heb geen interieur en ik wil er geen. Ik bezit stoelen en tafels, nogal een rommelig samenstel maar ik vind het wel gezellig. Er verandert maar zelden iets, zelfs niet aan de smoezelige rijstpapieren lamp (geen gezicht 1975) in de huiskamer, of het keukenkastje dat al jaren zijn knop mist. Het is niet dat ik het niet wil, maar belangrijk is het ook weer niet. Dat deurtje krijg ik zo ook wel open.

Ach, zalig zijn degenen die de tijd hebben om iets heel bijzonders van hun huis te maken, en helemaal degenen die dat voor veel geld door anderen laten doen. Al die ijver, die creativiteit.

Maar er is ook iets wanhopig-makends aan hun getut. Mensen die je `hun huis laten zien', van het antieke fonteintje in de beneden-wc tot de ossenbloedkleurige zolderbalken. Ik wil meteen weg als ze vertellen dat ze maanden hebben gezocht naar de goede kapstok.

Een interieur dat helemaal in stijl is doorgecomponeerd, zoals een klassieke symfonie, vind ik zielig.

Iemand die het kan weten vertelde mij onlangs dat het steeds moeilijker wordt om antiek te verkopen. Misschien niet het Tefaf-topniveau, maar gewoon, de serieuze middenklasse. Die éne mooie oude schaal of kandelaar, dat was waar haar eigen klanten voor zouden moeten komen. Maar zij merkte dat de mensen steeds meer naar totaal-effecten verlangen, er moet indruk worden gemaakt. Alleen sukkels blijven rustig temidden van hun oude spullen sparen, net zo lang tot zij een voorwerp kunnen betalen dat zij zelf toevallig erg mooi vinden.

Het heeft natuurlijk te maken met de grote geldpest die is losgebroken, en die al sinds jaar en dag hele volksstammen de straat op drijft om te fun-shoppen. Het spullen kopen als tijdverdrijf is volledig ingeburgerd.

Maar wat je nu ziet is een bijbehorende ontwikkeling, een fascinerend cultureel verschijnsel. Het is de verwinkeling van het privéhuis. De winkel (of zijn papieren tegenhanger, de commerciële tijdschriftpagina) wordt het esthetische ideaal van de gemiddelde Nederlander. Voor de kleine geest is styling de grootste kunst. Sterke effecten, met flair gepresenteerd: het doet denken aan kunst, maar het is zoveel makkelijker. Ik weet niet of er al styling-cursussen bestaan, anders zullen ze niet lang op zich laten wachten. Dan kan de droom van de winkelende medemens doordringen in alle hoeken van het land, tot elke kamer in ieder huis een showroom is.