Luchtacties tegen Servië gevaarlijk

Het `Iraakse draaiboek' uit de Golfoorlog is niet volledig geschikt voor een bombardementsoffensief dat de Serviërs tot een vredesakkoord over Kosovo moet dwingen. De kansen op slachtoffers zijn groter.

Kosovo is het meest geobserveerde grondgebied op aarde. Letterlijk: Amerikaanse spionagesatellieten hebben de Servische kazernes en munitieopslagplaatsen in kaart gebracht, U-2 vliegtuigen houden met radarapparatuur permanent de Servische troepenbewegingen in de gaten, en Predator-robotvliegtuigjes volgen live hun mobiele luchtafweerbatterijen. En dat is nog een summiere samenvatting.

Er zijn meer redenen aan te voeren waarom bij een NAVO-luchtoffensief de kansen voor de Servische strijdkrachten in en rond Kosovo somber kunnen worden ingeschat. In 1995 bijvoorbeeld, wisten NAVO-vliegtuigen bij operatie-Deliberate Force de militaire capaciteit van de Bosnische Serviërs zonder verliezen aan eigen kant grondig te ondergraven. En de Iraakse luchtverdediging, die met praktisch hetzelfde materieel is uitgerust, is er bij alle confrontaties sinds de Golfoorlog niet in geslaagd ook maar één Westers vliegtuig te raken.

Een luchtoffensief zal daarom weer zijn geënt op de blauwdrukken van Deliberate Force en die van de bombardementsoffensieven tegen Irak. Ongetwijfeld ook zal het startschot voor een reeks luchtaanvallen weer worden gegeven met een salvo kruisraketten. En stellig is er weer een doellijst met bovenaan de luchtafweerinstallaties en commandobunkers, gevolgd door olievoorraden, munitiedumps en tankconcentraties.

Toch zijn de risico's ditmaal aanmerkelijk groter dan voorheen. Risicoanalyses richten zich vooral op de Servische luchtverdediging: luchtdoelartillerie, vaste luchtafweerstellingen zoals de SAM-2, van de schouder af te vuren SAM-7 en de mobiele raketbatterijen van het type SAM-6. Vooral die laatste zijn berucht: in 1995 trof zo'n raket in Bosnië een Amerikaanse F-16 met piloot Scott O'Grady.

Maar de statistiek van de afgelopen decennia zegt genoeg over het gevaar van de luchtafweer. Gingen in de Tweede Wereldoorlog per honderd gevechtsmissies nog vier tot acht toestellen verloren, bij alle volgende conflicten, van `Korea' begin jaren vijftig, via `Vietnam' 25 jaar geleden, naar de Golfoorlog in 1991, daalde deze verhouding aanzienlijk. Tijdens de Golfoorlog werden minder dan vier vliegtuigen neergehaald per tienduizend vluchten. Sindsdien werd alleen die ene F-16 boven Bosnië geraakt, maar dat bleek later te wijten aan een slechte voorbereiding.

Het tij binnen de wapenwedloop tussen vliegtuig en luchtafweer keerde alleen ten gunste van de laatste toen - zoals tijdens de Yom Kippur-oorlog in 1973 – de Sovjet-Unie een nieuwe generatie SAM-raketten exporteerde. De Russische wapenindustrie biedt intussen wel de halve wereld nieuwe SAM-10's aan, maar voor zover bekend heeft Servië hier niet de hand op weten te leggen.

De NAVO heeft deze relatieve onkwetsbaarheid te danken aan een reeks storingstechnieken die de sensoren van de raketten `verblinden'. Van de vijandelijke luchtmacht valt weinig te duchten. Die is weliswaar uitgerust met meer dan 100 MiG's, maar die kunnen zich niet meten met de gevechtstoestellen van de NAVO. De luchtafweer wordt in theorie pas echt gevaarlijk wanneer vliegtuigen gronddoelen moeten bestoken – de zogeheten close air support, CAS – en, voor een grotere trefzekerheid, lager moeten vliegen. De Serviërs kunnen de NAVO-toestellen dan zonder electronische hulpmiddelen op de korrel nemen. Als de NAVO haar beloftes wil nakomen en de Servische `politietroepen' inclusief hun individuele tanks, artillerie en pantserwagens, in Kosovo werkelijk wil wegvagen, dan schuilt hierin een groter risico dan eerder het geval was. Zo was in Irak vooral militair onroerend goed het doelwit, en in 1995 moest vooral de Bosnisch-Servische logistieke infrastructuur het ontgelden.

Servië heeft wat dat betreft nog een voordeel boven Irak: het landschap. De Servische eenheden kunnen zich in de beboste heuvels onder een vaak bewolkte lucht beter verstoppen dan de Iraki's in hun vlakke woestijn. En zelfs dat betekende niet dat de Westerse piloten de doelen voor het uitzoeken hadden: mobiele Scud-lanceerders bleven gedurende de hele Golfoorlog onvindbaar.

Om het verdekt opgestelde Servische materieel toch te vinden is één element onontbeerlijk: geduld. En juist het element tijd werkt in het voordeel van de Serviërs. Niet alleen wordt dan het politieke uithoudingsvermogen van de aanvallers op de proef gesteld. Maar ook groeit door het grotere aantal noodzakelijke vluchten de kans op verliezen, door grondvuur of technische mankementen. Wanneer een piloot vervolgens in vijandelijk gebied terechtkomt, moet een reddingsoperatie worden uitgevoerd met alle risico's vandien. Deze zogeheten C-SAR-missies (combat search and rescue), gelden als uiterst gevaarlijk. Niet alleen moeten kwetsbare helikopters worden ingezet, maar ook moet vuursteun kunnen worden gegeven om belagers op afstand te houden en moeten onderscheppingsjagers vijandelijke vliegtuigen uit de buurt houden. De helikopters die O'Grady van een Bosnische berghelling plukten, kwamen doorzeefd, on a wing and a prair, van hun opdracht terug.

Een bombardementsoffensief herbergt daarnaast risico's voor de verzamelde NAVO-strijdkrachten die niet direct met de vliegbewegingen te maken hebben. Om de casus belli te beantwoorden die een luchtaanval volgens de Serviërs betekent, zou een tegenaanval op de NAVO-troepen in Macedonië kunnen worden uitgevoerd. Het Joegoslavische leger beschikt hiertoe over een groot aantal grond-grond-raketten met een voldoende bereik en met een grotere nauwkeurigheid dan die welke de Iraki's in 1991 tegen Israel en Saoedie-Arabië gebruikten. Zo beschikken de Serviërs over een opgewaardeerde versie van de Russische Scud en ontwikkelen zij daarnaast een eigen raket, de K-17 Krajina.