Financieel netwerk in Italië vertoont rafels

Met twee megafusies tegelijk proberen Italiaanse banken hun achterstand op concurrenten elders in Europa in te halen. De nationale banksector moet opener en concurrerender worden. Het financieel- economische netwerk rafelt.

Het is in de Italiaanse bankwereld net als bij de voorbereiding op belangrijke momenten als de wereldkampioenschappen voetbal of het `examen' voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie: een hele tijd gebeurt er niets, maar dan komt er ineens een uitbarsting van activiteit om de achterstand in één klap in te halen.

Begin jaren negentig omschreef oud-premier Giuliano d'Amato de banken nog gefrustreerd als ,,een versteend woud'' waar geen beweging in te krijgen was. Driekwart van de banken was in handen van de staat, en politici gebruikten hun invloed op banken om hun politieke strategie te ondersteunen. Fusie- en saneringsplannen liepen bijna steevast stuk omdat niemand zijn lokale koninkrijkje wilde opgeven.

Drie factoren brachten de banken de laatste jaren toch in beweging. Het begon met de privatisering van een groot aantal van hen. Die haalde de instellingen uit de greep van de politiek en gaf hun grotere bewegingsvrijheid.

Daarna kwam de factor Europa. Toenemende liberalisering schiep mogelijkheden voor nieuwe activiteiten en schaalvergroting, maar Italiaanse banken realiseerden zich met een schok dat ze eerder prooi dan jager waren. En wie de boodschap aanvankelijk niet wilde begrijpen, is wakker geschud door de recente grote bankfusies in Frankrijk en Spanje.

Van de vier Italiaanse banken die zijn betrokken bij de jongste fusieplannen was alleen de Banca Commerciale Italiana niet zelf het product van een fusie. De Banca di Roma is voortgekomen uit drie Romeinse banken, en San Paolo IMI en UniCredito Italiano zijn vorig jaar gevormd.

Een laatste factor, die het best illustreert dat hier sprake is van een mijlpaal in de Italiaanse bankwereld, is de verminderde rol van de handelsbank Mediobanca. Decennia lang heeft die een centrale rol gespeeld binnen de Italiaanse economie. Er werden weinig belangrijke akkoorden gesloten zonder toestemming of medewerking van deze bank.

Mediobanca was de spil in een netwerk van banken en bedrijven, die elkaar met wederzijdse participaties beschermden. De belangrijkste architect van dit netwerk was Enrico Cuccia, die ondanks zijn hoge leeftijd van 91 jaar nog steeds actief is als honorair president van Mediobanca.

Dat Banca di Roma en de Banca Commerciale Italiana nu waarschijnlijk ieder een sterkere partner krijgen laat zien dat Cuccia's wil geen wet meer is. De bejaarde topbankier had deze twee banken juist aan elkaar willen koppelen, omdat dat veel beter zou passen bij de structuur van het netwerk dat hij met zoveel geduld heeft opgezet.

Maandenlang hebben deze twee banken met elkaar gepraat, min of meer verplicht, maar vorige maand werd de verloving officieel verbroken. Aan beide kanten klonken zuchten van verlichting. De Banca di Roma kwam in recordtijd tot een akkoord met ABN Amro.

Een van Cuccia's doelen is steeds geweest buitenlanders zoveel mogelijk buiten de deur te houden, of in ieder geval overnames te voorkomen. De fusieplannen die dit weekeinde zijn gepresenteerd hebben een vergelijkbaar effect, omdat zij Italiaanse banken minder kwetsbaar maken voor overname.

Maar Cuccia's netwerk wordt erdoor uit elkaar getrokken. Mediobanca moet nu zelf gaan oppassen. BCI, UniCredito en Banca di Roma hebben samen bijna een kwart van Mediobanca in handen, en ze willen niet meer luisteren. Mediobanca is kwetsbaar geworden en kan het doelwit worden van een overnamepoging. Dat, meer nog dan de vorming van twee grote en sterke banken, is de echte revolutie binnen de Italiaanse bankwereld. Het gesloten en incestueuze systeem van onderlinge akkoorden, buiten de markt om, is aan het instorten. Zoals een Italiaanse bankier tegen de Financial Times zei: ,,De middeleeuwen zijn voorbij.''