De keuze voor Kok

WIM KOK ALS nieuwe voorzitter van de Europese Commissie. Opnieuw een uiting van misplaatst `Holland-spreekt-een-woordje-mee-gevoel' of een serieuze mogelijkheid waar terdege rekening mee moet worden gehouden? Zoals de praktijk keer op keer heeft bewezen is in de politieke benoemingensfeer niets zo riskant als het noemen van namen. Gaat het bovendien ook nog om een vacature waarbij vijftien Europese landen betrokken zijn, dan is er helemaal sprake van een zeer grote onzekerheidsfactor.

Twee dingen staan vast: Wim Kok is door enkele collega-regeringsleiders genoemd en Wim Kok wil zelf niet. Dat laatste gegeven zou normaal gesproken `einde verhaal' betekenen. Zo luidt op dit moment ook de communis opinio binnen Europa, waar de kandidatuur van Kok een gepasseerd station heet te zijn. Alle ogen zijn thans gericht op de voormalige Italiaanse premier Prodi die zich afgelopen vrijdag officieel kandidaat heeft gesteld voor de functie. Dat neemt niet weg dat de naam van Kok plotseling weer kan komen bovendrijven wanneer de regeringsleiders het niet eens kunnen worden over officiële kandidaten. Vervolgens is aan de orde hoe hard het `nee' van Kok is wanneer een klemmend beroep op hem wordt gedaan.

Speculaties over Kok mogen weliswaar voorbarig zijn, het neemt niet weg dat een mogelijkheid van voortijdig vertrek van een premier – anders dan om binnenlandspolitieke redenen – onder ogen moet worden gezien. Ook op het terrein van politieke posten doet de verdergaande integratie van Europa zich gelden. Het minister-presidentschap van een land hoeft geen politiek eindstation meer te zijn. Na de eigen hoofdstad is er nog altijd Brussel. Dat deze statusverandering in kleine landen anders wordt beleefd dan in de grote landen is duidelijk. Een ander gegeven is dat Europa in het benoemingenbeleid onmogelijk rekening kan houden met nationale verkiezingsagenda's. Met andere woorden: hier geldt nog meer dat het moment altijd ongelegen komt.

GEHEEL LOS VAN de vraag of Kok thans een serieuze kandidaat is voor het voorzitterschap van de Europese Commissie, is de vraag legitiem of een minister-president het kabinet kan verlaten omdat Brussel roept. Staatsrechtelijk beschouwd verzet zich hier niets tegen. In de officiële Nederlandse verhoudingen is de minister-president primus inter pares en zou hij dus niet meer dan `een' vertrekkende minister zijn. Er zijn wel vaker zittende ministers naar de Europese Commissie vertrokken.

Maar er is natuurlijk ook nog de politieke kant van de zaak. Hoewel Nederland de figuur van de gekozen minister-president niet kent, is in de omgangsvormen wel een dergelijke `alsof-situatie' ontstaan. Lubbers moest zijn karwei afmaken, werd de kiezers indertijd te verstaan gegeven, terwijl het op weg naar de Tweede-Kamerverkiezingen van vorig jaar aanvankelijk ging om Kok versus Bolkestein als premier.

Er is dus wel degelijk sprake van een morele band tussen Kok en de kiezer. Dat betekent dat hij zeer goede argumenten moet hebben om het Torentje eerder te verlaten. Europa zou echter zo'n argument kunnen zijn. Weliswaar hoort een Nederlandse voorzitter van de Europese Commissie niet in het belang van Nederland te zijn, maar aan de andere kant is het Europese belang als geheel ook Nederlands belang.

AAN ZIJN PARTIJ dan de zware taak een opvolger als minister-president te vinden. Nieuwe verkiezingen zijn niet nodig. Dat wil zeggen: volgens het boekje. Tegelijkertijd zou in de toch al niet optimale coalitieverhoudingen een vertrek van Kok binnen paars tot een dermate forse ontlading leiden dat verkiezingen om politieke redenen zeer snel zullen volgen. Het verklaart nog eens des te meer de huidige niet-kandidatuur van Kok.