De gemaskerden zijn klaar, het dorp is leeg

1.380 OVSE-waarnemers hebben Kosovo verlaten. De NAVO dreigt, maar doet niets. Voor de Serviërs het sein voor een weekeinde vol geweld. Dorpen zijn beschoten, duizenden mensen zijn op de vlucht gejaagd.

In het dorp Srbica, in het noorden van Kosovo, zitten Servische militairen op een muurtje. Ze zijn klaar met hun werk: het dorp is leeg. De mannen dragen witte uniformen, camouflagepakken voor gevechten in de sneeuw, en zwarte maskers. Ze zijn van de speciale Servische eenheden die in gevechten het vuile werk doen. Aan de rand van het dorp branden huizen, langs de weg staan Servische tanks en mortieren, kilometerslang.

Het is zaterdagmiddag, de inwoners van Srbica zijn gevlucht. Een van de gemaskerde militairen laat zich op de motorkap van een auto rondrijden door de lege straten, geweer in de aanslag. Twee kilometer verder lopen Albanese vluchtelingen uit een ander dorp. Een man, een vrouw en twee kinderen, ze zijn op weg naar familie in Srbica. Ze hadden er geen idee van, zeggen ze, dat daar nu alleen nog militairen zijn. Maar ze weten ook niet waar ze verder nog heen kunnen, ook de andere kant op staan soldaten. Ze lopen toch maar door.

Om vijf uur op deze zaterdagochtend zijn de eerste OVSE-waarnemers op weg gegaan naar Macedonië. Er was, na bijna vijf maanden, te vroeg een eind gekomen aan hun missie in Kosovo. Ze hadden gerekend op moeilijkheden onderweg of bij de grensovergang, door de politie of Servische burgers. Maar er gebeurde niets. Alleen hun visa werden ongeldig gemaakt, hetgeen hun eventuele terugkeer zal bemoeilijken.

Servische politie-eenheden en militairen omsingelden om vijf uur deze ochtend dorpen in het noorden en westen van Kosovo. Vluchtelingen uit Srbica vertellen later dat gemaskerde militairen 's ochtends vroeg het dorp in kwamen, zeven mannen executeerden en huizen in brand staken.

Wekenlang had het Servische leger troepenversterkingen, tanks en pantservoertuigen aangevoerd uit andere delen van Joegoslavie. In Frankrijk werd onderhandeld over een vredesakkoord, de NAVO dreigde met luchtaanvallen als de regering in Belgrado niet zou tekenen. Maar Belgrado tekende niet, eind vorige week werden de onderhandelingen afgebroken. Nu waren de waarnemers aan het weggaan en de NAVO deed nòg niks – dit was het moment, vonden de Serviërs, om het gebied te `heroveren' dat wordt beheerst door het Albanese bevrijdingsleger UÇK, het noordwesten van Kosovo.

Een paar uur na het vertrek van de OVSE lopen honderden vluchtelingen op de twee hoofdwegen vanuit het noorden naar de hoofdstad Priština.

Oude mensen en kinderen worden vervoerd in karren. Vanaf de weg zien ze rook opstijgen uit hun dorpen, ze horen de beschietingen. De meeste vluchtelingen proberen in Priština te komen, maar daar worden ze, ook de gewonden, tegengehouden door de verkeerspolitie.

Rahman (54) en Bahtije (42) Xhemajit uit het dorp Dobratina kwamen met twee van hun vier kinderen langs onverharde wegen naar de stad. Rahman raakte gewond aan zijn voeten, in een kliniek van een Albanese hulporganisatie werden ze geamputeerd.

Bahtije Xhemajit ligt op zondagmiddag in een ziekenhuisbed naast haar man. Ze vertelt wat er gebeurde tijdens hun vlucht. Hun zoon Fidaim van acht kwam om door een granaat, ze hebben hem ter plekke begraven. Dochter Selvia van veertien werd in haar buik en been geraakt, ze kon niet meer lopen, ze spuugde bloed. ,,We hebben haar moeten achterlaten'', zegt Bahtije, ,,wij moesten verder.'' Ze kijkt strak voor zich uit en begint dan over de koe en het kalf die nog in de schuur bij hun huis staan, zonder eten. ,,Ze is nog erg in de war'', fluistert een verpleegkundige.

Vanuit dorpen in het westen van Kosovo vluchtten het afgelopen weekend bijna geen mensen meer naar Priština. De weg naar de hoofdstad is te gevaarlijk. Een deel ervan wordt door het Servische leger gebruikt als stelling, er staan tanks en een paar honderd militairen. Een Albanese boer uit het dorp Glagovac, dertig kilometer ten westen van Priština, werd zaterdagochtend geraakt door een blindganger. Hij stond voor zijn huis en waste zijn gezicht bij de kraan. De kogel ging dwars door zijn hoofd.

's Middags wordt de gewonde man door journalisten meegenomen naar het ziekenhuis van Priština. Een dochter en een neef van de man gaan mee. Bij de ingang van het ziekenhuis durven ze opeens niet verder. Ze zijn bang dat de politie hen zal ondervragen, zegt de neef, en dat de artsen behandeling zullen weigeren. De Servische artsen omdat de man Albanees is, de Albanese artsen omdat ze bang zijn. Want voor de politie, zegt de neef, is iedere gewonde Albanese man een UÇK-soldaat. Ze willen dat de halfdode man naar een privé-kliniek wordt gebracht. In de kliniek wordt een Albanese arts gebeld, die neemt de man toch weer mee naar het ziekenhuis. De man wordt geopereerd, een dag later leeft hij nog.

Zondagmiddag gaan de beschietingen van de dorpen in het noord-westen van Kosovo door. Het UÇK lijkt nauwelijks nog in staat iets terug te doen. Servische militairen bij het dorp Srbica nemen tractoren, auto's en fietsen mee die de Albanezen hebben achtergelaten. Vanuit de kazernes worden meer tanks en militairen aangevoerd. ,,We gaan de Albanezen afmaken'', zegt een politieman bij een checkpoint op de weg van Priština naar het noorden van Kosovo. Hij zwaait en schreeuwt naar militairen die in tanks langsrijden, de militairen zwaaien terug.

Aan het eind van de middag worden in Priština vier Servische politiemannen doodgeschoten. Het is voor het eerst dat Albanezen zo'n aanslag plegen in het centrum van een stad. De dorpen en het platteland waren hun terrein, de steden werden beheerst door de politie. 's Avonds zijn in Priština ook de laatste twee Albanese restaurants die nog open waren, gesloten. Door de straten rijden alleen nog dronken Serviërs. De Albanezen blijven binnen, ze weten dat de Servische politie wraak zal willen nemen voor de aanslag.