De boom

Het was een prachtige boom. Heel hoog. Hij stond in een klein tuintje. Hij stak ver boven het kleine arbeidershuisje uit. In dat huisje woonde een lieve mevrouw. Haar man was dood. Ze was bang voor die boom. Ze dacht dat hij om zou vallen. Ik probeerde haar gerust te stellen. Aanvankelijk kende ik die boom niet. Hij stond er al 40 jaar. Hij viel me op toen ik mijn kano door het tuintje sjouwde. Mijn kano mocht op het tuinschuurtje logeren voor de winter. Ze begon meteen over die boom. Een vrouw die er alleen voor staat, heeft mijn sympathie. Ik koos haar kant.

Zo'n prachtige boom hoorde in een park of op het ruime gazon van een landgoed. Het was een fraaie boom. Ver boven onze hoofden strekten de takken zich uit als lange dikke armen dreigend boven de daken van haar huisje en dat van haar buurman. Mijn voorstel om het probleem van de boom met de buren te bespreken werd afgewezen. Haar buurman noemde ze Stille Piet.

`Hij zegt toch niks', zei ze. Dat was al tien jaar zo.

Ik raadde een professionele bomensnoeier aan.

`Die durfde niet', zei ze.

Haar jongens hadden hier en daar wat takken verwijderd.

Haar leven werd vergald door die boom. Vooral 's nachts als ze niet kon slapen en het gevaarte kreunde en loeide in de stormwind. De takken zouden afscheuren en dwars door het dak in haar slaapkamer storten. Ze wist het zeker.

Ik geloofde niet dat die boom zou omvallen. Hij zag er gezond uit. Ze geloofde me niet. Ik beloofde langs mijn neus weg dat ik de boom zou snoeien.

`Wil je dat doen!' riep ze uit. Zij was blij.

Ik stond verbaasd over mezelf. Wist ik iets van bomen snoeien?

`Je hoeft het niet te doen hoor', zei ze nog. Maar ik stond erop.

Ouder maar niet wijzer. Soms flap je er beloftes uit waar je verstand bij stil staat. Twee lange weken dacht ik na over de juiste strategie. Die was er niet. Beloofd is beloofd.

Er was iedere keer koffie met gebak als ik kwam.

Ik bestudeerde de boom. Maakte zogezegd kennis met hem. Ik neem bomen serieus. Ze zijn zo groot.

Ik richtte een ladder op die helemaal uitgeschoven tien meter hoog was. Daar begon de kruin. En toen ik bovenaan de ladder stond kwam de angst. Takken die ik boven mijn hoofd afzaagde vielen recht naar beneden. En ze waren zwaar. Als een kind dat in doodsangst zijn moeder vastgrijpt omarmde ik mijn vastgebonden ladder. Ik had geluk.

Naarmate het werk vorderde groeide de angst. Geluk is tijdelijk. Ongeluk is duurzamer.

Iedere keer als ik van de ladder afdaalde om beneden uit te blazen van mijn hoogtevrees vroeg ze:

`Ben je al klaar?' Haar tuintje lag bezaaid met takken.

`Ik heb koffie voor je.'

Het regende steeds.

Een gedichtje speelde door mijn hoofd, daarboven in de gladde boom, die aardig verminkt begon te raken.

Das Glück ist eine leichte Dirne,

sie weilt nicht gern am selben Ort.

Sie küsst dich rasch auf die Stirne

Bleibt ein Weil und flattert fort.

Frau Unglück hat im Gegenteile

sich liebensfest ans Bett gesetzt.

Sie sagt: Ich habe keine Eile,

setzt sich hin und strickt.

Ik kreeg mijn eerste nachtmerries. Ik reed in een rolstoel. Mijn oude vogel kwam om van de honger omdat ik nooit meer thuiskwam. In het ziekenhuis sprak ik tegen dovemansoren.

Van de vriendelijke mevrouw kreeg ik heerlijk gebak.

De top met zijtakken zat nog in de boom. Daar zag ik tegenop. Die top moest er nu uit. Ik praatte met de boom. Zei dat het voor zijn eigen bestwil was. Het woei toen ik boven mijn hoofd begon te zagen in de stam. Het woei en het regende. Ik zweette als een otter. De doorgezaagde stam wiebelde. Het hout kraakte vervaarlijk. Ik zag de top wankelen in de wind, en toen ik mijn ogen open deed lag hij met al zijn zijtakken over de volle lengte in de tuin en schrok ik van de omvang. Hij paste maar net languit in het tuintje. Ik hing vastgeklampt aan mijn ladder.

In het huisje van Stille Piet zag je nooit iemand. Het leek wel alsof daar niemand woonde. Aanbellen was mij afgeraden. Ik wilde het risico van zijn tak graag bespreken. Voordat het gevaarte zijn goot eraf zou slaan en de schoorsteen zou wegvagen. Met de zekerheid dat hij toch zijn mond zou houden begon ik aan een takkenplan.

Ik zou de takken te lijf gaan met het principe van de weegschaal. Ik bevestigde een touw halverwege de tak van stille Piet. De tak moest rechtstandig naar beneden komen, niet horizontaal. Daartoe moest de afgezaagde tak eerst kantelen door zijn eigen gewicht, en rustig in de strop blijven hangen tot ik hem in de tuin kon vieren.

Haar 45-jarige zoon kwam kijken. Hij was degene die ooit het zaadje van de boom had geplant.

`Ik kan er zo twee aanwijzen die uit een boom zijn gevallen', zei hij, `eentje was direct dood en de ander rijdt in een rolstoel.' Wat moet je daarop zeggen? We dronken koffie en aten gebak.

`Zal je voorzichtig zijn?' zei ze.

Ik klom weer omhoog naar de hemel.

De lus wilde niet ver genoeg op de tak schuiven. De zoon riep aanwijzingen van beneden. Daar werd ik zenuwachtig van. Ik besloot in de tak van zijn moeder te gaan zagen. Ik hoorde krak. Greep mijn ladder. En hoorde een klap. De tak lag op het plaatsje beneden, de kroon rustte op het pannendak. De zoon stond spierwit met zijn rug tegen de muur. Het touw was geknapt.

Aanwijzingen gaf hij niet meer.

De tak van Stille Piet maakte een hele vreemde zwieper, miste de aanbouw op een haar, scheerde aan het touw langs een schoorsteen, gaf mijn ladder een opdonder en kwam tot rust hangend in de strop als een reusachtige vaas omgevallen bloemen over de schutting in de tuin van Stille Piet. Het touw stond zo strak als een snaar.

Uit het niets tevoorschijn kwam Stille Piet. Zijn haar was wit. Hij droeg een stemmig grijs vest en zwarte broek. Hij raapte zwijgend een kapotte bloembak op. Die begon hij uitgebreid te bestuderen. Zou ik hem aanspreken? Het was me dringend afgeraden. Ik haastte me naar beneden en liep zijn tuin in om de schade op te nemen. Hij wilde van geen schadevergoeding weten.

`Daar achter in mijn tuin staat een conifeer', zei hij, `die is ook te hoog. Dus als je zin hebt?'