Boeken worden minder gelezen

Er wordt meer dan ooit gelezen in Nederland'' en ,,van ontlezing in ons land is geen sprake'', aldus Henk Kraima, directeur van de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek en organisator van de Boekenweek, onlangs in deze krant. Hij blijkt zich te storen aan publicaties van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), want daarin wordt, naar zijn oordeel, ,,al jaren een negatief en cultuurpessimistisch beeld in stand gehouden over het lezen''. Kraima baseert zijn stelling dat het goed gaat met het lezen op de gestage groei van het aantal verkochte boeken. Er werden vorig jaar 38 miljoen boeken verkocht en de verkoop stijgt al jaren met drie procent. Hij had een completer beeld geschetst wanneer hij ook melding had gemaakt van de jarenlange daling van het aantal verkochte boeken die daar aan voorafging. Het aantal verkochte boeken per hoofd van de bevolking bevindt zich op hetzelfde niveau als in 1975.

Een antwoord op de vraag of tweeëneenhalf verkocht boek per hoofd van de bevolking per jaar veel of weinig is, valt moeilijk te geven. Wel dient het enthousiasme over de drie procent groei te worden gerelativeerd. Een deel van die groei komt voor rekening van de bevolkingsgroei: er zijn elk jaar meer kopers op de markt. Daarnaast heeft de groeiende welvaart een jaarlijkse groei van de consumptieve bestedingen tot gevolg. Ten derde wonen steeds meer mensen alleen. Ook alleenstaanden willen een goedgevulde boekenkast, wat de vraag naar boeken doet groeien. Ten slotte valt de jaarlijkse groei van de boekenverkoop mager uit in het licht van het voortdurend stijgende scholingsniveau van de Nederlandse bevolking.

Met bevolkingsgroei, welvaartsstijging, huishoudensverdunning en opleidingsstijging in het achterhoofd is de jaarlijkse stijging van het aantal verkochte boeken eerder bescheiden dan opmerkelijk groot te noemen. Een vergelijking met de groei van andere uitgaven ten behoeve van de vrije tijd maant eveneens tot enige bescheidenheid. Uitgaven in de horeca en aan dagtochtjes en vakanties hielden gelijke tred, bioscopen meldden over vorig jaar een recordbezoek, terwijl de omzetstijging van consumentenelektronica vorig jaar tien procent bedroeg, die van kleurentelevisies zelfs twintig procent.

Met een verwijzing naar de gestaag groeiende `boekenberg' is niet aangetoond dat ook daadwerkelijk meer boeken gelezen worden. Onderzoek van het SCP duidt op het tegendeel. Zowel uit tijdsbestedingsgegevens als uit enquêtevragen spreekt het beeld van een zekere `ontlezing'. Het percentage mensen dat in de loop van een week minimaal een kwartier van hun vrije tijd in een boek gelezen heeft daalde van 49 procent in 1975 via 44 procent in 1985 tot 38 procent in 1995. De vrije tijd die men op weekbasis gemiddeld aan het lezen van boeken besteedde liep terug van 1,6 naar 1,2 uur. En het aantal boeken dat boekenlezers naar eigen opgaaf in de maand voorafgaand aan het interview hadden gelezen zakte van 3,3 naar 2,9. De boekenberg vertoont een zekere gelijkenis met de vroegere boterberg: er werd meer boter geproduceerd dan gegeten, er worden meer boeken gekocht dan gelezen. Achter de teruglopende bevolkingsgemiddelden gaan enige nog scherpere trends schuil. Onder jongeren van 12 tot 20 jaar viel het lezen van boeken als vrijetijdsbesteding terug van 2,2 per week in 1975 naar 0,7 uur per week in 1995. Het aantal gelezen boeken per maand daalde in die groep van 2,7 naar 1,3. Ten tweede is de afname het sterkst bij de hoogst opgeleiden. Onder degenen met een HBO of universitair diploma daalde het aantal gelezen boeken per maand van 2,7 naar 2,0. Als er geen sprake was geweest van vergrijzing en opleidingsstijging, zou het lezen van boeken nog sterker zijn teruggelopen dan nu het geval is.

De conclusie dat men minder is gaan lezen hoeft niet tot (cultuur)pessimisme aanleiding te geven. Een en ander kan desgewenst zelfs positief worden geïnterpreteerd: ondanks het groeiend aantal alternatieven om de vrije tijd door te brengen, heeft het lezen van boeken zich redelijk weten te handhaven ondanks het feit dat deze bezigheid wel degelijk in het gedrang is gekomen.

Andries van den Broek is verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau.