Zeehonden

De tuin bevindt zich nu in een tussenstadium, in de overgang, met meer toekomst dan heden. Een paar planten bloeien al, zoals de Euphorbia amygdaloides var. robbiae, die ruimte heeft overwoekerd die bedoeld is voor andere. Als zij niet zo uitbundig bloeide, met rupsgroene bloemen de lucht in schietend zodat hun hoogte is verdubbeld, had ik misschien niet eens opgemerkt hoe opdringerig zij zich gedraagt. De pulmonaria bloeit ook, een naamloze soort, heel wat krachtiger dan de bijzondere cultivar waarvoor zij in de plaats is gekomen. Haar bladeren zijn nog klein en hebben nog niet hun karakteristieke vlekken ontwikkeld. Dat doet haar er uitzien als twee verschillende planten: eerst een met bloemen en dan een met bladeren.

Afgezien van deze, de maartse viooltjes en een paar bollen, is de rest van de tuin niets dan belofte. Het is een prima moment om rond te lopen en de knoppen te bekijken die er gisteren niet waren, of die sinds gisteren twee keer zo groot zijn geworden. Het indrukwekkendst zijn die van de grote Hydrangea sargentiana. Volgroeid zijn de bladeren groot en zacht, geschikt als plantaardig biljartlaken, maar als de knoppen net opengaan zijn ze een prachtig teergroen, fantastisch gedetailleerde miniatuurversies van zichzelf, in keurige paren in de knop verpakt, elk haaks op die ernaast. Je kunt ze in de voorjaarszon bijna verder zien opengaan. Ook de beuk is op zijn mooist vóór de bladeren volgroeid zijn, een ogenblik om elk jaar naar uit te zien, wetend dat het maar kort zal duren.

Alle hydrangea's staan naar behoren in knop, hun bladeren spruitend uit wat er uitziet als dood hout. Hydrangea involucrata `Hortensis' houdt ervan zich zo lang mogelijk dood te houden; het is een van de mooiste van alle, met bloemwijzen bestaande uit kleine geplisseerde bloemblaadjes. Maar dat ligt allemaal nog in de schoot van een verre toekomst verborgen; zichzelf getrouw heeft zij nog geen teken gegeven dat zij de winter overleefd heeft.

Geranium macrorrhizum is de eerste geranium die bloeit en hoewel haar bladeren nog klein en fris zijn, net als de grote hydrangea worden die groter en wat sleetser naarmate de zomer vordert; zij heeft al bloemknoppen terwijl de andere geraniums nog maar nauwelijk boven de grond zijn. En dan zijn er de bollen. Scilla sibirica gedraagt zich een beetje zoals Hydrangea sargentiana doordat de knoppen openen en alle bloempjes onthullen die er in zitten, eruitziend, zoals E.A. Bowles ze omschreef, ,,als een blauwe korenhalm''. Dit speelt zich vlak bij de grond af. Soms zelfs zijn alleen nog maar de uiteinden van de bladeren boven de grond terwijl ze al opengaan, zodat je neerkijkt op een bloem die nog in de grond zit – maar die wel grote haast heeft, als iemand die probeerde voor te dringen bij de wederopstanding. Als de bloemen zich openen wordt de stengel langer zodat de bloemen dan bovengronds zijn.

E.A. Bowles heeft bezwaren tegen alsmaar nieuwe bollen planten (,,gemest met bankbiljetten''); waar hij van hield was ,,een grote kolonie van `goede' planten die zich op duidelijk natuurlijke wijze uitgebreid heeft op een haar welgevallig terrein, geholpen door de liefdevolle aandacht van een opmerkzame eigenaar''. Op een droge en donkere plek van onze tuin gebeurt dat precies zo, een tierige kolonie van Corydalis solida. Bowles doet deze plant tekort wanneer hij niet meer over haar weet te zeggen dan dat zij geen kwaad doet.

Nou ja, wat voor de een onkruid is, is voor de ander een `goede' plant, zeker wanneer er diepe schaduw aan te pas komt. Deze Corydalis heeft haar bovengrondse levenscyclus al voor elkaar voor de bomen in blad komen, en is daardoor in gezegende onwetendheid van het feit dat de blauwe hemel boven haar binnenkort verduisterd zal zijn door een dik rolgordijn van bladeren (net als een kennis die anders alleen 's zomers komt; vorige week was ze even over voor een kort bezoek en zag voor het eerst de tuin in zijn wintergedaante, met een open hemel en helder daglicht). Er zijn wel meer bollen die snel uitgebloeid zijn, sommige – zoals sneeuwklokjes en crocussen – die zich overdadig uitzaaien, maar andere, zoals anemonen en erythroniums, die eerder schaarser worden, alsof er iets ergs met ze is gebeurd in de tijd die ze werkeloos onder de grond hebben doorgebracht.

Daarvan geen last met Corydalis solida, dat alle kanten uitgroeit. Ieder jaar zijn er meer zaailingen, en weldra zullen ze oog in oog komen te staan met de daslookgemeenschap, Allium ursinum – ook vroeg, en ook een enthousiaste uitbreider – naderend van rechts. C. solida is niet het meest indrukwekkende lid van de corydalisfamilie, klein met groezelige mauve bloemetjes, maar onovertroffen voor wat eufemistisch wel `cool leafy soils' worden genoemd, dat wil zeggen die donkere plekken onder bomen en struiken waar niets anders wil groeien – behalve dan dat die plekken natuurlijk niet donker zijn in de korte periode dat zij daar groeit. Het heeft delicaat gevormd blad en de bloemen zijn van een zonderlinge vorm, meer zeehonden die iets op hun neus balanceren dan vogeltjes al of niet op een krukje, zoals de gewone naam luidt.

Gulzig de zaailingen van de corydalis tellend vond ik nog een knop, niet meer dan één, die ertussen omhoog stak. Vijf centimeter hoog en herinnerend aan crocus, maar zonder blad, kennelijk een van de nieuwe bollen die ik met rijkelijk veel bankbiljetten geplant had, vorige herfst. Ik had een plattegrond bewaard van waar ik deze bollen wilde neerzetten, maar niet van waar ik dat in feite heb gedaan; niettemin kon dit niets anders zijn dan Chionodoxa luciliae, de sneeuwroem, een Turkse inboorling met licht mauve of blauwe bloemen met een wit hart. Maar er was wel iets mis. Ik had er 96 van gekocht; waar zijn de andere 95? Van in de toekomst te zijn, vorige herfst, zijn ze nu opeens in één slag in het verleden verdwenen.