Veldheer met knieren

Een kop en tientallen verwrongen fragmenten kwamen in 1963 uit de Italiaanse bodem te voorschijn. Het bleken de resten van een bronzen beeld van de Romeinse legeraanvoerder Germanicus. Na een langdurige assemblage staat hij weer, in Perugia. Gesteund door een flexibel karkas en een houten korset.

DUIZENDEN UREN heeft restauratrice Aloisia Botti met hem geworsteld en nu ze de strijd heeft gewonnen, kijkt ze met een liefdevolle blik naar hem op. ``Ja, hij komt hier goed tot zijn recht'', zegt ze. In een witte ruimte in het Archeologisch Museum van Perugia verheft zich, in groenbrons en meer dan mansgroot, de Romeinse veldheer Germanicus. Na bijna twee millennia staat hij weer op zijn voetstuk van travertijn. De sokkel op zijn beurt rust op een schokbestendig plateau – dit is Umbrië, de Midden-Italiaanse regio waar de aarde angstaanjagend kan beven.

De Romeinse historicus Suetonius schrijft dat Germanicus een begaafd en dapper man was met slechts één schoonheidsfout: hij had dunne benen, een defect dat hij trachtte te compenseren door ``na de maaltijd onverdroten paard te rijden''. Van spillebenen hier geen spoor, de geïdealiseerde compositie diende dan ook maar één doel: kracht uitstralen. De zegevierende generaal, de blik gericht op een onbekende verte, spreekt zijn soldaten toe. Hij leunt op zijn rechterbeen iets naar voren, heft de rechterarm en omvat met de linkerhand een speer. De over zijn linkerschouder opgevouwen mantel buigt zich in plooien over zijn linkeronderarm, over zijn tuniek draagt hij een versierd pantser. Lichaamshouding en uitrusting zijn gemodelleerd naar het beeld van keizer Augustus van Prima Porta.

gave kop

De restauratie, Aloisia Botti's levenswerk, heeft met tussenpozen langer geduurd dan de 34 jaar die Germanicus heeft geleefd. In de zomer van 1963 werden in het stadje Amelia, zestig kilometer ten zuiden van Perugia, bij de bouw van een molen in de buurt van de Porta Romana, meer dan honderd fragmenten van een bronzen beeld aangetroffen, sommige niet meer dan één vierkante centimeter groot. Een deel van de rechtervoet stak nog in een brokstuk van de opschriftloze sokkel. Tussen de fragmenten kwam een vrijwel gave kop te voorschijn, schitterend gegoten, excellent geciseleerd. Dat vergemakkelijkte de identificatie. Afwezigheid van rimpels, gekrulde lokken die boven het rechteroog naar twee zijden uiteenvallen, van het hoofd afstaande oren, hoge jukbeenderen, knobbel op de neusrug, kleine mond, terugwijkende onderlip, priemende kin: dit waren buiten kijf de karakteristieken van Germanicus' kop, bekend van munten en marmeren bustes, en des te interessanter omdat het van brons was. Men had zich er al bij neergelegd dat geen enkel bronzen standbeeld van de populaire veldheer aan de middeleeuwse smeltovens was ontsnapt.

Germanicus (15 voor tot 19 na Chr.) boekte militaire en diplomatieke successen in Gallië, Germanië en in het Oosten. Hij won slagen, leed nederlagen en zou na Augustus en Tiberius waarschijnlijk de derde Romeinse keizer zijn geworden als hij niet, in Syrië, onverhoeds en onder verdachte omstandigheden was overleden. Zijn lichaam werd op het forum van de Syrische hoofdstad Antiochië gecremeerd, de as werd naar Rome overgebracht en onder immens rouwbetoon bijgezet in het mausoleum van Augustus. Dood groeide hij uit tot bovenmenselijke proporties, hij werd zelfs op één lijn gesteld met de Macedonische koning Alexander de Grote, die ruim drie eeuwen eerder de wereld had bestormd. Te veel eer, maar wel begrijpelijk – ook Germanicus verwierf roem in het Oosten, ook hij bezweek daar jong aan een mysterieuze ziekte.

De restauratie is een heidens karwei geweest. Niet alleen waren de talrijke fragmenten vervormd of gebroken (sommige moeten al in de oudheid bewust zijn vernield), maar het brons was tijdens het lange ondergrondse verblijf door de inwerking van lucht, zouten en gassen sterk gecorrodeerd en keihard geworden. Aloisia Botti – we zijn inmiddels verhuisd naar een rustige werkkamer in het museum: ``Elk fragment moest worden ontdaan van taaie carbonaten en silicaten, een langdurig en precies werk. Na de schoonmaak zijn alle delen van een beschermlaag voorzien. Tientallen gebroken fragmenten zijn vervolgens met kunsthars aaneengevoegd en bij de zwakke delen hebben we aan de achterzijde kleine zwachtels aangebracht van glasvezel, stijfgemaakt met kunsthars.''

Tijdens die werkzaamheden en uit onderzoek van de binnenzijde van de bronzen delen bleek dat het beeld was gegoten volgens het cire perdue procédé (`de verloren wasvorm') en wel volgens de zogeheten indirecte methode. Daarbij werd een voltooid model, meestal in klei, in verschillende componenten verdeeld, waarna van elk deel een afdruk (mal) werd gemaakt. De delen werden afzonderlijk gegoten – het Germanicusbeeld telt meer dan 20 gietstukken – waarna ze tot één geheel werden samengevoegd door de delen tegen elkaar aan te drukken en over de naden brons of tin te gieten. Deze methode was zeer geschikt voor de vervaardiging van grotere beelden. Mislukte het gietprocédé van een deel, wat regelmatig voorkwam, dan ging minder metaal verloren. ``Maar'', zegt mevrouw Botti, ``belangrijker was dat met de indirecte methode het originele ontwerp behouden bleef. De diverse anatomische componenten konden opnieuw dienst doen, zodat in theorie een onbeperkt aantal identieke beelden kon worden gegoten.'' Handig bij het aantreden van een nieuwe keizer wiens beeltenis tot in alle uithoeken van het Romeinse rijk moest worden verspreid.

Wanneer je een beeld reconstrueert, zegt Aloisia Botti, moet je beschikken over alle fragmenten en van elk fragment afzonderlijk de precieze positie kennen. ``Maar dat was hier niet mogelijk. Niet al het materiaal is teruggevonden en alle wèl gevonden fragmenten, klein en groot, waren zo vervormd dat samenvoeging volgens een traditionele techniek uit den boze was. Een fout van een millimeter bij de verbinding van twee fragmenten leidt tot centimeters grote verdraaiingen van de compositie. Als we de deformaties hadden gevolgd, zouden we wetenschappelijk verraad hebben gepleegd tegenover de originele iconografie.''

Gelukkig geven bronzen sculpturen, in het bijzonder die welke zijn gemaakt volgens de indirecte methode, bij nadere bestudering veel geheimen prijs: de verhouding tussen koper en tin, de dikte van de bronshuid, naden, steunverbindingen, zwaluwstaartverbindingen, de gehanteerde polijsttechniek. Een beeld, zegt mevrouw Botti, is te vergelijken met een palimpsest, een stuk papyrus of perkamentrol die na het uitwissen van een eerdere tekst opnieuw is beschreven. ``Wil je een beeld goed restaureren, dan moet je het eerst aandachtig lezen.'' Daarvan uitgaand werd besloten van het beeld een serie tekeningen op schaal te maken, waarin alle in het brons `gelezen' gegevens werden verwerkt. Dit resulteerde in een overzichtstekening met alle fragmenten waarvan de originele positie vast stond. Van sterk beschadigde en vervormde stukken werd een hypothetische tekening vervaardigd. De hercompositie die uit deze tekeningen resulteerde, ging uit van één vitale zekerheid: de positie van Germanicus' voeten, die op gelijke hoogte op de sokkel moeten hebben gestaan. Het beeld is dus letterlijk van de basis opnieuw geconstrueerd.

Als voorbeeld van de positiebepaling van de diverse lichaamsdelen kan de linkerarm dienen. De arm was aaneengevoegd aan de voorkant van het borstpantser, aan de achterkant ervan, aan de mantel en aan de mouw van de tuniek. Op de plaats waar de arm aan de achterkant van het pantser was gevoegd, was veel brons verloren gegaan, maar rampzalig was dat niet, want er bleef genoeg informatie over. Botti: ``We hebben ons laten leiden door de vaststaande technische gegevens, door de musculatuur van de arm en door de iconografische en stilistische geloofwaardigheid. Na langdurige meting en bestudering van de vele contactpunten hebben we, ondanks de vervormingen van het materiaal, de houding en de buigingshoek van de linkerarm nauwkeurig kunnen vaststellen.''

kloof

Toen de configuratie in theorie was bepaald, was de tijd voor de feitelijke montage daar. Tussen theorie en praktijk doemde nu echter een onoverbrugbare kloof op. Aloisia Botti: ``Het is tijdens de montage vrijwel onmogelijk een vervormd fragment op de juiste positie te plaatsen en tevens de oorspronkelijke iconografie te behouden. Vaak wordt de exacte positie van een fragment pas tijdens de opbouw duidelijk. Die omstandigheid sloot een statische constructie uit. Daarom hebben we door technici in Rome een constructie laten maken die in alle richtingen kan bewegen.''

Het gaat hier om een ingenieus stalen karkas met zes gewrichten, voor de draaiing van de linkervoet, linkerknie, linkerschouder, linkerpols, het bekken en de rechterschouder. Aan dit geraamte zijn voorts diverse scharnieren bevestigd en verbindingsstukken waarmee de linkerarm, de linkerhand en de rechterarm werden vastgezet. Rondom het karkas is daarna een houten structuur, een soort korset, verankerd. Een korset met een dubbele functie: niet alleen verschaft het steun aan de bronzen fragmenten, maar ook dient het, op plaatsen waar het brons ontbreekt, als reconstructie van de originele compositie. Dat hier en daar het blanke hout door het brons heenkiert, is misschien niet fraai maar wel zo zuiver. Hout bleek het beste materiaal, zegt mevrouw Botti. ``Het kan gemakkelijk worden bewerkt en het is zeer geschikt om de krachten op te vangen die er tijdens de werkzaamheden op worden uitgeoefend.''

Enkele fragmenten bleken zo vervormd of in een dermate slechte staat dat ze niet in de langzaam herrijzende Germanicus konden worden gemonteerd, aldus mevrouw Botti: ``Maar als ze essentieel waren voor het stilistische en iconografische totaalbeeld is daarvan een harsafdruk gemaakt. Van die harsafdrukken hebben we kopieën vervaardigd. Die kopieën zijn, nadat we ze hebben bewerkt tot de meest waarheidsgetrouwe vorm, alsnog aan het beeld toegevoegd. Dat heeft de museale presentatie sterk verbeterd.'' Niet inpasbare fragmenten, zoals speer, zwaard en een fragment van de tuniek, zijn in een verlichte muurvitrine geplaatst, enkele meters van het Germanicus-beeld verwijderd.

Het beeld zoals het hier nu staat is wetenschappelijk verantwoord en komt zo dicht mogelijk in de buurt van het origineel, zegt Aloisia Botti. ``We hebben soms een moeilijke keus moeten maken en sommigen zullen het met die keus misschien niet eens zijn, maar raden was er nooit bij. Neem de ogen. Die werden in de oudheid vaak gemaakt van ivoor en glaspasta, maar van dat materiaal is niets teruggevonden. Dus hebben we de ogen hol gelaten. Als een latere generatie op grond van nieuwe inzichten de positie van de ledematen wil bijstellen, dan kan dat. Germanicus heeft soepele gewrichten, hij buigt graag mee.''

Met dank aan mevr. M. Torricelli voor haar bemiddeling.