Regelzucht van albedillers

Het is vanzelfsprekend dat er wet- en regelgeving moet zijn ter bestrijding van kinderroof en –handel. Ook in verband met interlandelijke adoptie is dit evident. Er moeten in de eerste plaats toetsingscriteria worden geformuleerd aan de hand waarvan bijvoorbeeld kan worden vastgesteld of voldoende inspanning is verricht om eventueel onbekende ouders te achterhalen. Of de ouders het kind vrijwillig hebben afgestaan. Of er garanties zijn dat geld dat wordt betaald goed wordt beheerd ten bate van de achterblijvers. Of de adoptief ouders in staat zullen zijn het kind naar behoren te verzorgen. En zo meer.

In de tweede plaats moet worden vastgesteld aan wie de toetsing van individuele adopties wordt toevertrouwd. En ten slotte moet een en ander worden geregeld ten aanzien van de makelaarsfunctie tussen het aanbod van kinderen en de vraag van zoekende ouders.

Deze drie, opstellen van criteria, toetsing en bemiddeling zouden ten bate van objectiviteit en openheid over verschillende, onafhankelijk van elkaar werkende instanties moeten worden verspreid.

In Nederland gaat het inderdaad om drie instanties: het ministerie van Justitie, de Raad voor de Kinderbescherming en het Bureau Interlandelijke Adoptie. Maar de onafhankelijkheid, objectiviteit en openheid zijn ver te zoeken.

De adoptiewereld is een gesloten wereld, waar veelal dezelfde personen zich met de drie aspecten bezighouden en waar weinig of geen verhaal is te halen als men wordt afgewezen.

De vastgestelde toelatingsprocedures maken het bovendien vrijwel onmogelijk om tot adoptie te komen als ouders zelf op een van hun reizen naar verre landen een kind op hun weg vinden waarvoor zij zouden willen en kunnen zorgen. Men móet van de officiële bemiddeling gebruikmaken.

Dat dertig procent van de zo tot stand gekomen adopties uitmondt in problematische ouder-kind relaties vermag de adoptieinstanties op dit punt niet tot enige bescheidenheid te brengen. Er zijn enkele precedenten van ouders die zelf een kind hebben gezocht, waarbij de rechter vervolgens – zeer tegen de zin van de Raad voor de Kinderbescherming – heeft geoordeeld dat het in het belang van het kind was om niet te worden gescheiden van de volwassenen aan wie het inmiddels was gehecht en dat het dus ook maar door hen geadopteerd moest worden. Maar zoals blijkt uit de zaak tegen het echtpaar Ottje met hun nu tweejarige Lisa uit Brazilië, wordt niet in de breedte van de rechterlijke macht zo humaan en verstandig geoordeeld.

Als er een onafhankelijke toetsingsinstantie was zou dat allemaal veel opener worden. Zelfstandig optredende ouders zouden dan verplicht zijn hun zaak daar ter beoordeling voor te leggen. Net zoals de bemiddelende instantie dat voor ieder geval zou moeten doen.

Bovendien lijken de opgestelde criteria sterk gekleurd door de partis pris van min of meer zelfbenoemde adoptiedeskundigen. Wie ter zake doende stukken leest, wordt bevangen door huiver over de quasi wetenschappelijke gewichtigdoenerij waarmee men de vele toelatingseisen probeert te onderbouwen.

Neem nu alleen al de willekeurige leeftijdsbegrenzing die wordt gehanteerd. Een adoptiefouder mag niet meer dan veertig jaar in leeftijd verschillen met het kind. Mijn vader had mij nooit mogen adopteren, maar hij kon me gelukkig verwekken.

Bij hoge uitzondering mag daarvan worden afgeweken als tussen het indienen van het verzoek tot adoptie en de toewijzing een lange tijd zit, mits de oudste ouder bij het indienen niet ouder was dan 42 en ze bij toewijzing niet allebei al 44 zijn. Als ik het tenminste goed heb begrepen, want de opsteller van `artikel 5, vijfde lid' had geen gelukkige hand van schrijven.

Het echtpaar Ottje is van deze willekeur de dupe geworden en heeft – hoe onverstandig, maar ook, hoe begrijpelijk – de illegale weg bewandeld. Met als gevolg dat zij nu worden beschuldigd van kinderroof. Wat tamelijk bespottelijk is voor iemand die ter plekke de levensomstandigheden – lemen hutje, ondervoede kinderen – en de moeder – zwanger van de veertiende, waarvan zeven reeds afgestaan – is gaan filmen.

Het is niet het eerste illegale geval waarvan ik hoor. Soms lukt het wel, maar soms is er een brave verklikker of laffe appeltjesschiller in de familie- of vriendenkring.

Wat ik niet begrijp is dat te oud bevonden ouders de zaak niet voorleggen aan het Europese Hof, want het is een kwestie van pure leeftijdsdiscriminatie. Die is ten principale verboden en uitzonderingen zijn alleen toegestaan op redelijke gronden. Met betrekking tot adoptie zijn die er niet. Leeftijd en ouderschap hebben alleen biologisch iets met elkaar te maken.

Tot ruim in de veertig kunnen vrouwen kinderen baren. Vroeger, toen er geen voorbehoedsmiddelen waren, was dat ook heel gewoon. En nu het moederschap dank zij de pil kan worden uitgesteld, nemen de zwangere veertigjarigen weer toe in aantal. Voor mannen geldt geen enkele leeftijdsrestrictie. Het toegenomen echtscheidingspercentage maakt ook een tweede of derde vaderschap bij een jongere vrouw heel gebruikelijk.

Maar ook geheel afgezien van de vruchtbare levensfase: grootouders hebben vroeger en nu bewezen goede grootbrengers van kinderen te kunnen zijn.

Hoe willekeurig de leeftijdsbegrenzing is, blijkt overigens ook uit het feit dat te oude adoptiefouders eventueel soms nog wel een gehandicapt kind kunnen krijgen.

Terwijl men zou denken dat daarvoor nu juist misschien naar verhouding wel wat meer vitaliteit nodig is.

De huidige omslachtige adoptieprocedure lijdt onder regelzucht van albedillers, die zeggen te handelen in belang van het kind, maar die vooral hun eigen gewichtigheid dienen.