Praten en bedriegen

Zonder inzicht in andermans geest (anders gezegd: het vermogen te bedriegen) zou taal nooit kunnen bestaan. Mensapen blijken er erg handig in te zijn, net als in andere voorwaarden voor taal, aldus evolutionair psycholoog Richard Byrne. Taal is begonnen als een systeem van gebaren.

HOE KWAMEN mensen aan het bijzondere gereedschap `taal' en het vermogen om dat nuttig te gebruiken? Het verschil met `dierentaal' is zo opvallend dat taalkundigen en filosofen er soms over praten alsof taalvermogen in een enkele evolutionaire sprong ontstond. Maar in sprongsgewijze ontwikkeling geloven biologen niet meer. De evolutie kan alleen werken en selecteren met bestaande variaties: doorgaande verandering via een serie succesvolle tussenstappen is de regel. Dus moet taalvermogen gebaseerd zijn op een stelsel aan voorafgaande aanpassingen die onze verre voorouders mogelijk heel andere voordelen opleverden dan verfijning van de communicatie.

Vanuit evolutionair perspectief kun je taal zien als een systeem dat samengesteld uit vele vaardigheden. Bijvoorbeeld het vermogen te begrijpen dat andere individuen misschien minder of juist beter geïnformeerd zijn dan jij. En, even fundamenteel: het vermogen om handelingen in ingewikkelde nieuwe reeksen en programma's onder te brengen. Wat deze twee onderdelen betreft schoppen mensapen het een heel eind. Zo ver, dat je bij mensen niet een in een of andere vorm aangeboren specifiek taalprogramma hoeft te veronderstellen. ``Beide vermogens zijn vanzelfsprekend onderdeel van taalgebruik, maar ze hebben andere gebruiksmogelijkheden. Mijn punt is dat ze zich tijdens onze gemeenschappelijke afstammingsgeschiedenis met primaten ontwikkelden – eerder dan taal en voor andere doelen.' Aldus de Britse evolutionair pscyholoog Richard Byrne.

Byrne probeert een overtuigende brug te slaan tussen dierlijke intelligentie en menselijk taalvermogen: op theoretische gronden èn tijdens praktisch veldwerk tussen apen en mensapen. Richard W. Byrne (1950) is hoogleraar evolutiepsychologie aan de Universiteit van St Andrews in Schotland. Hij begon als psycholoog die ook natuurwetenschappen studeerde en stapte over naar biologisch getinte veldstudies, onder meer bij bavianen, chimpansees en gorilla's in Afrika. Nu is hij bekend als veldwerker, experimenteel psycholoog, theorievormer en schrijver. Van zijn hand verscheen onder meer The Thinking Ape: the evolutionary origins of intelligence (Oxford University Press, 1995.) Onlangs was Byrne als spreker te gast op de OKW-Taaldag 1999 `Dierentaal', die de K.L. Poll-stichting voor Onderwijs, Kunst en Wetenschap, in samenwerking met Diergaarde Blijdorp in Rotterdam organiseerde.

Bij het zoeken naar de biologische basis van taalvermogen heeft Byrne – met inmiddels veel navolging – het plegen van bedrog als belangrijkste leidraad genomen. Want uit bedriegen blijkt de voor taal zo belangrijke vaardigheid van `het gebruik en misbruik maken van ingeschatte kennis van anderen'. Byrne ontdekte het belang van bedrog tijdens zijn veldstudies bij bavianen. ``Van die apen dacht men destijds dat ze geen bedrog toepasten, maar die van mij deden het wel. Volop. Een jong dier bijvoorbeeld, dat te ruw had gespeeld met een kwetsbaar jong dat daardoor was gaan schreeuwen, gebruikte een truc om te vermijden dat hij werd aangevallen door diens moeder en daaraan gelieerde volwassenen. Na een korte achtervolging, ging hij rechtop staan en staarde in de verte, zoals bavianen doen wanneer ze een roofdier zien. Dat roofdier wàs er niet, maar de afleiding stelde hem in staat ongedeerd weg te komen.''

En zo verzamelde Byrne vele voorbeelden van misleiding onder bavianen. Waar ontstond dit vermogen tot bedrog in onze voorouderlijke lijn? Met een collega voerde Byrne een grootscheeps onderzoek uit – niet direct onder apen, maar onder hun onderzoekers: primatologen. ``Alleen de zogenaamde halfapen, zoals de lemuren van Madagascar en lori's, toonden geen talent in die richting. Hier ligt dus een evolutionaire scheidslijn: onder onze voorouders begon het bedrog bij de gewone apen.''

Binnen het bedrog is er ook een scheidslijn. Die van het inzicht. Wanneer is bedrog ook werkelijk een list? Wanneer mensen elkaar bedriegen, gebruiken ze hun kennis van wat anderen weten of niet weten. Maar dat betekent niet dat bedrog plegende apen en mensapen de onwetendheid of kennis van anderen begrijpen. Ze kunnen iedere truc geleerd hebben zonder te begrijpen hoe die werkt, zonder bij wijze van spreken de gedachtenballonnetjes van anderen in te vullen. Neem het voorbeeld van de vrouwelijke gorilla die in een kleine groep leeft met een leider die haar seksueel contact met andere, ondergeschikte mannetjes verbiedt. Toch wil ze met dat ene, aantrekkelijke ondergeschikte mannetje paren. Ze kan dan een aantal tactieken gebruiken om te bereiken wat ze verlangt. Ze kan zogenaamd achterop raken, zodat ze buiten het zicht van de leidende man is voordat ze gezellig contact maakt of copuleert. Ze kan zelfs de man waar het haar om te doen is uitnodigen haar te volgen, en daarna de paring ongewoon stilletjes uit te voeren, de copulatie-kreten die ze normaal zou slaken onderdrukkend.

Dit lijkt bedrog van de eerste orde. Maar je kunt niet uitsluiten dat zelfs deze gorillavrouw een niet werkelijk begrepen truc uithaalt. Byrne: ``Ze kan door bittere ervaring ontdekt hebben dat als zij met een ondergeschikte man paarde in het zicht van de leider, of daarbij geluid maakte, in elkaar geslagen werd. Dus kan ze haar gedrag ontwikkeld hebben door simpele associatie. Overigens ben ik er van overtuigd, dat gorilla's in zo'n geval elkaar wel degelijk met inzicht in elkaars geesten bedriegen, maar hard maken kun je het bij zulke observaties niet.''

Met gecontroleerde experimenten in gevangenschap kun je daar meer over te weten komen. Byrne's waarnemingen bij mensapen in gevangenschap omvatten mooi uitgespeeld bedrog, maar net zulke mooie voorbeelden van het doorzien en rekening houden met bedrog en acteerwerk door anderen.

Byrne analyseerde elk bekend geval van misleiding bij apen. ``Numeriek wordt het meeste bedrog bij de gewone apen gezien. Maar de gevallen van aantoonbaar inzicht bleken op een grote hoop te zitten, uitsluitend bij de mensapen: chimpansees, bonobo's, gorilla's en orang-oetans.''

Ook een tweede norm voor de voorloper van een component van taalvermogen volgde die indeling: het kunnen opbouwen van complexe reeksen van handelingen. Dat blijkt vooral uit methoden voor voedselzoeken en -verwerken. Chimpansees zijn beroemd om hun werktuiggebruik voor het toegang krijgen tot voedsel. Alleen al het bekende, met een speciaal geprepareerde plantenstengel vissen naar termieten, vereist een bijzondere motorische coördinatie en een delicate techniek. Bij de voorbereidingen voor zulk werktuiggebruik is duidelijk sprake van een plan in het hoofd van de toekomstige uitvoerder. Maar hoe zit dat bij een niet overtuigde werktuiggebruiker als de gorilla? Die vraag is van belang bij het opstellen van de evolutionaire stamboom van zulke vermogens. Het oude beeld van gorilla's klopte volgens Byrne volstrekt niet. De gevestigde overtuiging was dat de sterk vegetarische gorilla's weliswaar zachtmoedig, maar ook wat dommig waren. Het leven in een soort slaschaal waarin het voedsel doorlopend voor het grijpen ligt, leek immers niet veel eisen te stellen. Maar wie bekijkt hoe de resterende gorilla's in het wild met hun voedsel omspringen voordat het hapklaar is, raakt onder de indruk. Voor iedere verschillende voedselplant hebben ze een specialistische benadering. Het omtoveren van een plukje bladeren van netels tot een hapklare sandwich van verschillende bladeren omvat door een niet-stekend buitenblad, vereist geduld en chirurgische precisie. Nauwlettende bestudering van de precieze handelswijzen geeft aan dat de gorilla er met zijn volle verstand bij is. Hij bereikt via een complex, flexibel en sterk cognitief programma met tal van subroutines en terugkoppelingen zijn doel. In abstracte zin komt dat in de buurt van wat mensen doen als ze, met vermijding van allerlei valkuilen, erin slagen een enigszins lopende zin op te bouwen.

Ondertussen toonde de Nederlandse gedragsonderzoeker Van Schaik bij die andere mensaap, de orang-oetan, werktuiggebruik aan dat niet voor dat van de chimpansee onderdoet. Kortom, de grote mensapen hebben alle iets gemeenschappelijk. Onderliggende talenten voor later taalvermogen kun je dus niet alleen aanwijzen bij de gezamenlijke voorouder van mens en chimpansee, die samen een wat late evolutionaire aftakking hebben, maar bij die van alle grote mensapen. Dat betekent dat je op een beginpunt in het verleden uitkomt van circa twaalf miljoen jaar, hooguit vijfentwintig miljoen jaar, geleden, toen de apen van de Oude Wereld zich afsplitsten.

Byrne: ``In die periode ontstonden in de lijn die tot de mens zou voeren het rekening houden met de kennis van anderen, het organiseren van toekomstplannen, en inzicht in oorzaak en gevolg. Die mentale vermogens vormen een essentiële eerste stap naar ontwikkeling van taal. Geen soort zou een taal kunnen ontwikkelen terwijl individuen zich niet voor kunnen stellen dat andere individuen dingen weten die zij zelf niet weten. En geen soort zou linguïstische structuren kunnen hanteren als die individuen niet de reeksen motorische handelingen zouden kunnen organiseren in hiërarchische gestructureerde programma's.''

En het vervolg? Mensen ontwikkelden iets grotere hersenen, maar die zijn niet anders gestructureerd dan die van de mensapen. Pas na de hersengroei kwam de gesproken taal, denkt Byrne. Hij schiet flinke gaten in de theorie van Harvard-neuroloog en -antropoloog Terrence Deacon, die in zijn lijvige boekwerk The Symbolic Species de gelijktijdige evolutie van taal en hersenen benadrukte. De ontwikkeling van de hersenen zou taal hebben opgeleverd, maar de ontwikkeling van de taal zelf zou volgens Deacon weer de hersenstructuur ingrijpend veranderd. Byrne: ``Er is flinke consensus onder archeologen dat er zo'n 50.000 jaar geleden een enorme toename is van symbolische vermogens. Hersenen veranderden toen totaal niet meer. Er is geen teken van co-evolutie. Je ziet het geleidelijk groeien van de hersenen over twee miljoen jaar zonder teken van veel effect op ander gedrag. En dan een plotselinge, dramatische toename van symboolgebruik terwijl de hersenomvang dezelfde bleef. Het meest overtuigende idee waarmee je die twee gegevens kunt verklaren is dat taal begon als een systeem van gebaren. Wat veertig of vijftigduizend jaar geleden gebeurd zou kunnen zijn, is dat taal toen pas opeens een vocaal systeem werd.''

Wellicht hebben gebarentaal en hersenomvang zich samen ontwikkeld, aldus Byrne. ``Er zijn hersengegevens die dat ondersteunen. In de hersenen is er tenslotte een nauw verband tussen handvaardigheid en spreken. Het klopt ook met het gegeven dat de mensapen wel, en gewone apen geen grote controle over hun handen hebben.'' Een van Byrne's studenten onderzoekt nu de unieke gebaren die gorilla's in de dierentuin van San Francisco uitgevonden hebben en gebruiken. ``Gebaren maken heeft betekenis, en niet alleen voor ons. De Kanzi's en Washoes van deze wereld hebben het gebaren erg goed opgepakt, nietwaar'', zegt Byrne, doelend op het symboolgebruik door mensapen bij taalexperimenten.

Ook niet-intensief getrainde mensapen hebben onmiskenbaar talent voor symboolgebruik. ``Neem het bekende omdraaiings-experiment met voedselstapels. Als je een chimpansee laat kiezen tussen een kleine en grote stapel snoepjes , en dan steeds de gekozen stapel nu juist aan een andere chimp geeft, heeft hij grote moeite zijn keuze aan te passen en dus de kleinste stapel te kiezen. Bij tussenkomst van symbolen die de grootte van de stapels aangeven, lukt hem dat wel.''

De beperkingen van mensapen hebben nu juist veel meer met `spraak' te maken dan met taal of symboolgebruik op zich. Byrne: ``We hebben fantastische biologische aanpassingen aan taalgebruik, maar ze draaien allemaal om spraak en de ademhaling daarbij. Wat bijvoorbeeld Noam Chomsky ons wil doen geloven is dat grammatica ook op een of andere manier biologisch vastgelegd is. Ik geloof er geen woord van. Grammatica wordt geleerd. Je zou taal zelfs een soort `general purpose software' kunnen noemen die we leren. Als dat niet zo zou zijn, zou de dwergchimpansee (bonobo) Kanzi niet kunnen doen wat hij zo voortreffelijk doet. Zonder training heeft hij het vermogen opgepikt om menselijke spraak als woorden te horen. Hij kan weten wat ze betekenen. Hij kan afzonderlijke woorden in vloeiende spraak onderscheiden op basis van één foneem. Dat betekent dat zijn spraakherkenning zo goed is als de mijne – en hij is een chimp. Het is onrustbarend. Hij kan volledig nieuwe, onmogelijke fantasie-zinnen begrijpen. Hij begrijpt niet alleen het belang van woordvolgorde, maar kan uitstekend overweg met bijzinnen, zoals in `Kanzi, pak alsjeblieft de tomaat die in de koelkast ligt.' Hij pakt dan de goede tomaat. Dat is erg `Chomskyan'. Zonder training, gewoon door het omgaan met mensen, heeft hij structurele linguïstiek geleerd. Dus waarom zou taalvermogen wel in onze hersenen zijn aangebracht?''

Dat deze taalvaardige aap ook een erkend meester in bedrog is, is volgens Byrne geen toeval. ``Hij toont daarbij ook nog eens veel verbeelding, bij het doelbewust op het verkeerde been zetten van mensen. Mensapen zijn al veel verder dan we denken, ook als ze geen woorden tot hun beschikking hebben.''

Later, achter de schermen bij de gorilla's van Diergaarde Blijdorp, kijkt Richard Byrne verheugd toe wanneer een van de vrouwelijke dieren beheerst in haar handen klapt om zich te laten horen aan de rest van haar groep, en misschien aan ons. Dat gedrag is pas onlangs ook bij gorilla's in het wild beschreven. ``Het lijkt simpel gedrag, maar het is natuurlijk een enorme uitvinding geweest. Geen gewone aap die erop komt.''

De lezingen van de OKW-Taaldag 1999 `Dierentaal' zullen eind maart in boekvorm verschijnen bij de SDU.