POSTDOCS 2

Ik hoop dat de oprichting van het platform voor postdocs inderdaad tot versterking van de rechten van deze groep zal leiden, maar voorlopig is het verslag van Dirk Van Delft (W&O, 27 februari) al een bevredigende openbaarmaking van een broeiend maar veelal nadrukkelijk verzwegen probleem. Het probleem van tijdelijk wetenschappelijke contracten is inderdaad het gebrekkige perspectief. Maar behalve de aanzienlijke persoonlijke stress die dit teweegbrengt, drukt het ook het rendement van wetenschap in het algemeen.

Het grootste probleem van de postdoc-aanstelling is niet zozeer de tijdelijkheid maar het feit dat binnen de universiteiten twee `kasten' personeel zij aan zij werken; een met een beroerde en een met een zeer comfortabele rechtpositie. De eerste groep werkt in voortdurende angstige anticipatie van de volgende baan, zoals Van Delft beschrijft. Deze groep moet het hebben van excellente wetenschappelijke topprestaties om in de toekomst weer een tijdje brood op de plank te krijgen. De andere groep moet juist extreem en langdurig niks presteren voordat dat merkbare consequenties heeft voor het levensonderhoud. Ik ken geen organisatie waarin hetzelfde werk onder zo diametraal verschillende rechtsposities wordt verricht, en het is de vraag of het politiek aanvaard zou worden als in enig andere bedrijfstak de arbeidsvoorwaarden zo ongelijk geregeld waren. Dat de wetenschap een keihard bedrijf is, zoals Van den Maagdenberg beweert, geldt dus inderdaad voor de ene groep maar totaal niet voor de andere groep.

Het klassieke financieringssysteem van universiteiten – en dus van hun vaste personeel – beloont niet onderzoeksprestaties, maar overwegend onderwijsinspanningen via finaniering van de studenteninstroom. Voor de tijdelijke onderzoeker betekent dit dat er nauwelijks een relatie is tussen zijn inspanningen en de kansen op een structurele positie. Tijdelijkheid zou op zichzelf geen bezwaar zijn, als alle onderzoekers tijdelijk zouden zijn aangesteld en dus onder hetzelfde beoordelingsregime zouden staan.

Een ander macro-effect van de tweedeling is dat de zwakke rechtposities zwakker worden en de sterke sterker. Om een `stroom van internationale publicaties in gang te zetten' en een `undisputed leader in the field' te worden, moet je zeker een goede onderzoeker zijn, maar je moet vooral tijd krijgen: tussen het uitwerken van een theorie, experimenteren, resultaten genereren, verslaggeven, aanbieden aan internationale tijdschriften , beoordeeld worden, geciteerd worden, en daarom vervolgens geaccepteerd worden, verstrijken gauw tien jaren. Veel experimenteel onderzoek kent een aanloopfase van tientallen probeersels voordat het iets publiceerbaars van betekenis oplevert. Kortom om aan de enorme eisen te voldoen die aan nieuwkomers in de wetenschap worden gesteld, moet je al een oudgediende zijn. Deze paradox zit structureel in het systeem: om lid te worden van een onderzoeksschool moet je bijvoorbeeld een vaste aanstelling hebben. Om een promovendus te krijgen, en voor sommige subsidies eveneens.

Tot slot zit er een interessante seksistische kant aan het probleem. Doorstromen lijkt voor vrouwelijke tijdelijke medewerkers nog moeilijker dan voor mannelijke. De personeelsopbouw van universiteiten laat zien dat het aandeel vrouwen onlangs sterk is toegenomen in de tijdelijke banen, maar nauwelijks in de vaste staf. Vrouwen beginnen langzaam maar zeker een positie in te nemen in het ambacht van de wetenschap, maar zij slagen er niet in om de macht te verwerven in de universiteiten. Zij missen het goede salaris, de zeggenschap over de onderzoeksagenda, de opleiding van jonge onderzoekers, de leiding over een vakgroep, het lange-termijnbeleid, enzovoorts. Het gemis aan vrouwen in de universitaire staf is al net zo'n nijpend probleem als de doorstroming van post-docs, en beide lijken samen te hangen. Het wachten is op een krachtig plan van aanpak.