NEDERLAND DAALT IN NOORDWESTEN EN STIJGT TEGELIJK IN ZUIDOOSTEN

Het stijgen van de zeespiegel, al dan niet onder invloed van het broeikas-effect, wordt door velen als een bedreiging gezien voor langs de kust gelegen laaglandgebieden, zoals Nederland. De vraag is echter of de zeespiegel werkelijk stijgt. Zeker is dat het landoppervlak in West-Nederland daalt ten opzichte van de zeespiegel, maar dat kan een gevolg zijn van oxidatie van veen, inklinking van klei en soortgelijke processen die het bovenste sedimentpakket beïnvloeden. Het is dus beter om te kijken naar de beweging van de zeespiegel ten opzichte van de zandafzettingen die in de laatste ijstijd ontstonden, en die nauwelijks aan vergelijkbare processen blootstaan.

Een dergelijk onderzoek is niet eenvoudig, maar onderzoekers van de Vrije Universiteit in Amsterdam, Rijkswaterstaat en de Universiteit van Canberra (Australië) hebben de geologische oorzaken van verticale bodembewegingen in Nederland gedurende de laatste eeuw onderzocht (Tectonophysics 299, blz. 297). Die relatieve bewegingen ten opzichte van het zeeniveau kunnen een gevolg zijn `echte' bewegingen van de zeespiegel (eustatische zeespiegelbewegingen), maar ook van `gewone' tektoniek (vergelijkbaar met het opheffen van de Alpen of het wegzakken van de Rijndalslenk), van isostatische compensatie (een reactie van de aardkorst die tijdens de laatste ijstijd door de dikke landijsmassa's werd ingedrukt) en van compactie (samenpersing onder invloed van het gewicht van bedekkende lagen).

Het onderzoek is gebaseerd op uiterst nauwkeurige geodetische metingen, uitgaande van de top van de zandpakketten uit de ijstijd. De onderzoekers kwamen daarbij tot de verrassende conclusie dat er verticale bodembewegingen voorkomen die, over de laatste eeuw gemiddeld, zo'n 1,5 mm per jaar bedragen. Dat is veel sneller dan over langere perioden het geval is: dan is die waarde zelfs in tektonisch onrustige gebieden een orde van grootte minder. Uit modelberekeningen blijkt verder dat de gevonden waarden ook slechts voor minder dan de helft kunnen worden verklaard door de tijdelijk (namelijk na de laatste ijstijd) geologisch gezien extreem hoge waarden die onder dergelijke omstandigheden voor isostasie en compactie kunnen worden bereikt. Daaruit concluderen de onderzoekers dat er sprake moet zijn van `echte' tektoniek. Dat is verrassend omdat Nederland bekend staat als een tektonisch rustig gebied.

De relatieve bodembeweging is niet overal gelijk: naar het noordwesten toe vinden de onderzoekers een steeds snellere bodemdaling, terwijl naar het zuidoosten toe juist een opheffing plaatsvindt. Er is dus als het ware een scharnierlijn die van noordoost naar zuidwest precies over ons land loopt. Waar de scharnierlijn precies loopt, is nog onduidelijk: de daling of stijging kan alleen worden vastgesteld aan een referentieniveau dat in wezen niet in absolute zin bestaat.

(A.J. van Loon)