Klassen ondanks plannen niet kleiner

De laagste klassen van de basisschool zijn ondanks de voornemens van het kabinet het afgelopen schooljaar niet kleiner geworden. De klassen in de bovenbouw zijn zelfs groter worden. De hoogste vier groepen tellen dit schooljaar gemiddeld een leerling meer dan het jaar daarvoor.

Dat schrijft de Onderwijsinspectie in een rapport over de klassenverkleining in de vier laagste groepen van de basisschool, waartoe het kabinet in het regeerakoord heeft besloten. In oktober 1997 zaten gemiddeld 22,9 leerlingen in laagste vier groepen tegenover gemiddeld 22,7 leerlingen dit schooljaar, terwijl het aantal leerlingen in de bovenbouwklassen steeg van gemiddeld 25,1 leerlingen naar 25,8 leerlingen in 1998.

Het bevreemdt de Onderwijsinspectie niet dat de groepsgrootte in de laagste klassen gelijk is gebleven. De inspectie wijst erop dat het kabinet in 1998 geen extra geld heeft uitgetrokken voor kleinere groepen. In 1997 was dat wel het geval. Toen is er 270 miljoen gulden geïnvesteerd, waarna in 1997 de laagste groepen gemiddeld een leerling minder telden dan in 1994. Pas in 2000 wordt weer geld beschikbaar gesteld voor extra personeel.

Het kabinet wil het gemiddelde aantal leerlingen in de laagste groepen terugbrengen tot twintig leerlingen per klas in het schooljaar 2002/2003. Dat komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede, aldus kabinet en onderwijsbonden. Wetenschappelijk onderzoek heeft zo'n verband echter nooit onomstotelijk bewezen.

Waarom de klassen in de bovenbouw het afgelopen schooljaar groter zijn geworden, weet de inspectie niet. Een mogelijke verklaring is dat er een groter deel van het personeelsbudget wordt besteed aan onderwijsassistenten, die onderwijzers werk uit handen nemen. In 1998 werkten er 892 onderwijsassistenten op de basisschool tegenover 655 in 1997. Het aantal extreem grote groepen, dat wil zeggen groepen met dertig of meer leerlingen, is het afgelopen jaar verder afgenomen.

Over een personeelstekort rept de Onderwijsinspectie niet. Volgens de inspectie is er onder oud-leraren veel animo om weer voor de klas te gaan staan. Met 1.380 vroegere docenten zouden inmiddels gesprekken zijn gevoerd. Driekwart van hen (1.088 oud-leraren) is direct beschikbaar. De rest heeft een opfriscursus nodig.

Deze aantallen zijn in tegenspraak met een bericht eerder deze week dat slechts 36 oud-onderwijzers sinds eind vorig jaar daadwerkelijk aan de slag zijn gegaan. Een Kamermeerderheid van VVD, D66 en het CDA heeft zijn zorg uitgesproken over het geringe effect van de wervingscampagne onder oud-leerkrachten.

Voor de klassenverkleining zijn de komende drie jaar 8.100 extra leerkrachten nodig. Daar komen nog 2.000 onderwijzers bij die de vergrijzing moeten opvangen. De interesse onder studenten voor de Pabo trekt aan, maar zij zijn op zijn vroegst over vier jaar klaar.