Kampong Culemborg

Het geweld op Ambon maakt de Molukkers in Nederland bang en radeloos. Het enige wat ze kunnen doen is dorpsgewijs stille optochten organiseren. Ze houden de oude vijand, Jakarta, verantwoordelijk voor de onrust en hopen op hulp van de oude bondgenoot – Nederland. `Wij zijn een emotioneel volkje.'

Op 15 december vorig jaar stapte de achttienjarige Myra Papilaya op het vliegtuig dat haar via Bali naar Ambon zou brengen. Als klein meisje van vijf was ze er al eens geweest, maar nu, met het VWO-examen op zak, zou ze voor het eerst van haar leven Maluku echt zien. De reis had vier maanden moeten duren, vertelt ze. Daar had ze zes maanden bij de administratie van de Spoorwegen in Utrecht voor gewerkt. Maar half januari braken de onlusten op Ambon uit. Sinds 6 februari is ze weer terug in Culemborg. ,,Toen ik vertrok voor een rondreis over de Molukken zei ik tegen mijn familie op Ambon, dat ik binnen twee weken terug zou zijn. Maar toen ik op het eiland Saparua zat, moest ik terug naar Nederland. Ik heb niet eens fatsoenlijk afscheid van ze kunnen nemen. Nu kan ik geen contact meer met ze krijgen. Waarschijnlijk zijn ze gevlucht voor het geweld.''

Deze avond zijn Myra en haar tante Gitte Papilaya bezig met de voorbereidingen voor een informatiebijeenkomst in de Molukse kerk. Met een prittstift plakt Myra krantenartikelen op grote gekleurde vellen karton. De beelden uit Ambon spoken nog steeds door haar hoofd. ,,Op de Pasar Madika in Ambon-Stad heb ik op 18 januari, de dag voordat de onlusten uitbraken, nog boodschappen gedaan. Nu is het een zwartgeblakerde puinhoop. Maar wat me vooral voor de geest staat zijn de kinderen, mijn kleine neefjes en nichtjes die op blote voeten rondrenden en zich met het meest eenvoudige speelgoed vermaakten.''

Gitte Papilaya loopt nog één keer de petitie na die ze namens de ,,Molukse ingezetenen van Culemborg'' geschreven heeft. Morgen zullen zij in stille optocht optrekken naar het stadhuis, waar ze haar petitie aan de burgemeester zal overhandigen. Molukkers in Alphen aan den Rijn, Moordrecht, Capelle aan den IJssel, Zevenaar, Groningen en Krimpen aan den IJssel gingen hen voor. En voor volgende week is er een stille optocht in Leerdam gepland. Zo zullen tot 25 april, de dag waarop in 1950 de onafhankelijke republiek der Zuid-Molukken werd uitgeroepen, alle Molukse gemeenschappen van Nederland in stilte protesteren tegen het geweld dat op Ambon is losgebarsten.

De stille tochten zijn vooral een uiting van de machteloosheid en onbegrip die de Molukkers in Nederland voelen. Het oude RMS-ideaal van een vrije Republiek der Zuid-Molukken was al enigszins verbleekt, en nu slaan de christelijke en islamitische Molukkers elkaar zelf de hersens in. Dat is moeilijk te begrijpen voor de Molukse gemeenschap in Nederland. In hun radeloosheid wijzen ze met de beschuldigende vinger naar de oude vijand, de Indonesische regering in Jakarta, die provocateurs naar de Molukken zou sturen. ,,Eén ding is zeker, wat zich nu afspeelt op de Molukken is geen religieus conflict'', zegt Gitte stellig. ,,Moslims en christenen hebben eeuwen in vrede met elkaar samen geleefd. De onlusten zijn vanuit Jakarta geregisseerd.''

Net zoals ze de oude vijand verantwoordelijk houden voor het geweld op Ambon, verwachten de Molukse Nederlanders in eerste instantie hulp van de oude bondgenoot – Nederland. In haar petitie doet Gitte ,,een dringend beroep'' op de Nederlandse overheid om ,,niet passief toe te kijken hoe de situatie op de Molukken verder escaleert''. Driehonderdvijftig jaar hebben de Molukkers de Nederlandse belangen trouw gediend. Maar toen in 1950 Indonesië de vrije republiek der Zuid-Molukken de kop indrukte, keek Nederland toe. Evenmin deed Nederland in de jaren daarna iets tegen de stelselmatige schendingen van de rechten van de mens door de Indonesische regering. Volgens de Nederlandse Molukkers kan Nederland niet opnieuw zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van het Molukse volk ontlopen. Nederland moet ,,iets'' doen. ,,Uw eigen geschiedenis verschaft u die verplichting'', schrijft Gitte.

Bondgenootschappen

Het geweld tussen christenen en moslims in hun land van herkomst is in volledige tegenspraak met de tradities die de Molukkers in Nederland levend houden. Als er iets is dat ze vanaf de eerste generatie Ambonese KNIL-militairen aan hun kinderen en kleinkinderen hebben doorgegeven, dan is het de traditie van de pela, de schier eindeloze reeks bondgenootschappen die de ontelbare christelijke én islamitische dorpjes op de Molukse archipel met elkaar verbindt.

Albert Holle weet er veel van. Holle is zestig, maar van de tweede generatie. Zijn vader werd geboren in het dorpje Ameth, op het piepkleine eilandje Nusalaut. Albert is er niet opgegroeid, in 1974 zag hij het eiland voor het eerst. Toch is Ameth zijn thuis, vertelt hij. Daar staat immers de rumah tua, het huis van zijn voorvaderen.

Het christelijke dorp Ameth heeft twee pelaschappen, vertelt Albert, één met het dorp Ema op Ambon, één met de dorpen Souhoku (christenen) en Ruta (moslims) op het eiland Ceram. In 1994 was Albert er bij toen vrijwel de gehele bevolking van Ameth de zeeëngte tussen de eilanden Nusalaut en Ceram overstak, om de pela met bewoners van Souhoku en Ruta nieuw leven in te blazen. Op de video die Albert maakte is te zien hoe twee krijgers in klederdracht het sluiten van het verdrag tussen de twee gemeenschappen uitbeelden. Na een rituele scheldpartij over en weer bieden de mannen elkaar pruimtabak aan. Op het lemmet van een uitgestoken kapmes, dat wel.

Wat de pelaschap inhoudt, legt Albert uit door middel van een verhaal. Op een dag kwam iemand van Souhoku naar Ameth en vroeg om een paar kruidnagelen. Nee, zeiden de inwoners van Ameth, en ze stuurden de krijger uit Souhoku met lege handen naar huis. De volgende dag was de kruidnagelboom verdord. ,,Zo leerden de inwoners van Ameth dat ze hun broeders niets mochten weigeren.'' De inwoners van het dorp waarmee een pela is gesloten, zijn als broeders en zusters. Dat betekent ook dat je niet met hen mag trouwen. Alleen daarom al hebben de Molukkers in Nederland de traditie van de pela in ere gehouden. ,,Je moet toch aan je kinderen duidelijk maken met wie ze kunnen huwen, en wie niet'', zegt Gitte's vriend Benjamin Souhuwat.

Eigen dorp

Gitte leed onder de gebeurtenissen op Ambon. Zelfs een weekendje Antwerpen met Benjamin en de kinderen kon daar niets aan veranderen. ,,Het eerste wat ik deed was in de hotelkamer CNN aanzetten.'' Terug in Nederland zag ze op tv de stille tocht van de Molukkers van Alphen aan den Rijn. Het idee was geboren. Haar nichtje Myra kon wel helpen, en Benjamin ook, hij organiseerde ten slotte sinds jaar en dag de bruiloften in de Molukse wijk. En Marcel Mahulette organiseerde altijd het jaarlijkse zaalvoetbaltoernooi, om geld in te zamelen voor Ambon. `Oom' Albert Holle, Bung Abe, werd gekozen omdat hij zo mooi Maleis spreekt, en de islamitische Fatimah Tuhurea, om te laten zien dat in Nederlandse Molukse gemeenschappen moslims en christenen nog steeds als broeders naast elkaar leven. Adèle Hetharie en Stien Nanulaitta completeerden de initiatiefgroep voor de stille mars van Culemborg.

Gitte vroeg burgemeester Annemiek van Vugt om in een korte toespraak haar medeleven met de Molukse Culemborgers te tonen. ,,Wij zijn immers ook haar burgers.'' Voor het gemak had ze burgemeester Van Vugt maar meteen ingedeeld in de planning, maar dat schoot de burgemeester in het verkeerde keelgat. Volgens Gitte was de burgemeester bang voor een eventueel politiek RMS-kantje aan de stille tocht. Het kostte haar een week om Van Vugt ervan te overtuigen dat het daar niet om ging. Uiteindelijk zegde de burgemeester een korte toespraak toe. Aangezien de meeste Molukkers in één wijk wonen, was het verpreiden van een aankondiging van de tocht binnen de Molukse wijk zo gebeurd. Voor het inzamelen van geld zocht Gitte contact met de stichting Help Ambon in Nood (HAIN), een kerkelijk initiatief dat voorlopig de meest gedegen organisatie lijkt in de wirwar van lokale, provinciale en landelijke Molukse hulpverleningsinitiatieven.

Het kamponggevoel

Toen Myra bij haar familie in het dorpje Suli was, verbaasde ze zich erover dat haar familie nooit naar Ambon-stad ging, terwijl dat maar vijfentwintig kilometer verderop lag. ,,Het leven op de Molukken speelt zich vooral af in het eigen dorp'', zegt ze. Wat voor Ambon geldt, geldt ook nog steeds voor de Molukkers in Nederland. De overgrote meerderheid woont nog steeds dicht bij elkaar, in Molukse wijken in Moordrecht, Leerdam of in Capelle aan den IJssel. Het zijn deze afzonderlijke Molukse gemeenschappen, die geheel onafhankelijk van elkaar stille optochten organiseren. Centrale coördinatie is er niet: op de zondag dat de Molukkers van Culemborg hun ronde zullen maken, is er ook een stille tocht in Tiel. ,,In de Molukse gemeenschap is het zoals in de kampong'', vertelt Benjamin. ,,Iedereen heeft een taak. Als er wat moet worden georganiseerd, een bruiloft, een belijdenis, een begrafenis, een voetbaltoernooi of een barbecue, aan vrijwilligers geen gebrek. Er is een vast groepje mannen dat gaat organiseren en een clubje vrouwen dat in de keuken staat.''

Het kamponggevoel heeft drie generaties overleefd. De overgrote meerderheid van de ongeveer zeshonderd Molukkers in Culemborg bewoont nog steeds de huizen die de Nederlandse regering midden jaren zestig ter beschikking stelde aan enkele tientallen gezinnen uit het kamp Lunetten, bij Vught. Gitte werd er in 1962 geboren. Haar ouders verhuisden in 1965 naar Culemborg. Hoe het leven in het kamp was, kan ze zich niet meer herinneren. Benjamin is van 1957. Tot zijn twaalfde woonde hij met zijn ouders en zeven broers en zussen in kamp Randwijk, bij Heteren (Wageningen). Ongeveer dertig KNIL-militairen en hun gezinnen waren in de oude houten kazerne gehuisvest, vertelt hij. Het leven in het kamp verschilde weinig van het kazerneleven in Indië. ,,In de Tangsikazerne waren de gezinnen van elkaar gescheiden door een gordijn. In kamp Randwijk waren het dunne houten wanden. Je kon het goed horen wanneer de buren ruzie hadden, of als ze wat anders met elkaar deden.''

In 1967 verhuisden de Sahouwats naar de nieuwbouwwijk Terheijde in Culemborg. Vergeleken met de omstandigheden in het kamp kwam het leven in de nieuwbouwwijk de jonge Benjamin paradijselijk voor, vertelt hij. ,,Er was stromend water, er was centrale verwarming. Er was een trap. Dat was allemaal nieuw voor mij.'' Wel woonden de Molukse gezinnen nog altijd dicht op elkaar. ,,De wijk was voor de Molukkers dat wat het kamp was geweest: een eigen dorpje. Voor de Molukkers was de wijk een kampong.''

Marcel Mahulette werd geboren in kamp Lunetten. Enkele maanden na zijn geboorte, in 1967, verhuisden zijn ouders naar de Molukse wijk in Culemborg. Ook de nieuwbouwwoning was zo vol met grote en kleine Mahulettes dat Marcel bij zijn opa sliep, die schuin tegenover het ouderlijk huis woonde. Als opa Mahulette schreeuwde in zijn slaap omdat hij over het Jappenkamp droomde, werd Marcel ook wakker. Inmiddels woont hij met zijn vrouw en twee kinderen enkele straten verderop. Min of meer noodgedwongen, vertelt Marcel. ,,Mocht er een huis vrij komen, bijvoorbeeld doordat er iemand overlijdt, dan ga ik zo weer terug.''

Het huis van de voorvaderen op een van de Molukse eilanden is de basis, maar ook het ouderlijk huis in Nederland neemt een belangrijke plaats in, vertelt Marcel. ,,Als mijn moeder zou overlijden, dan ga ik er wonen, of iemand van mijn broers of zussen.'' In ieder geval is het zeker niet de wooncoöperatie die beslist wie er in de huurhuizen gaat wonen. Drie jaar geleden overleed Marcels tante, maar het huis werd toegewezen aan een Surinaamse dame. Dat pikte de Molukse buurt niet. Binnen een dag lagen alle ruiten eruit.

Elastiek

Djam karet, tijd is elastiek, zeggen ze op de Molukken. De lokale bevolking pikt de Nederlandse Molukkers op vakantie er zo uit, vertelt Gitte. ,,Wij Nederlanders lopen gehaaster, sneller.'' Maar Molukse Nederlanders zijn nog geen Nederlanders. Gitte, Benjamin, Myra en de kinderen vertrekken ruim een half uur te laat naar de informatie-avond in de Molukse kerk, midden in de Molukse wijk. ,,Bij mijn baas zou ik dat niet doen hoor'', lacht Gitte. Ach, het duurt toch een tijdje voordat het kerkgebouw volstroomt. Marcel staat voor de ingang te roken en mensen te verwelkomen. Hij kent bijna iedereen.

Hoewel bijna iedereen in de zaal verwanten op de Molukken heeft, is de sfeer in eerste instantie nog ontspannen. Pas als de dominee de gemeenschap voorgaat in gebed, laat iedereen de emoties de vrije loop. ,,We hebben allemaal beelden, verhalen'', spreekt Benjamin de zaal toe. ,,We hebben allemaal met Ambon gebeld. Dit is geen vergadering, het gaat erom dat we uitspreken wat we in de huiskamer, voor de tv mee maken.'' Ineens barst hij zelf in snikken uit. ,,We zijn een emotioneel volkje'', had Myra gezegd.

,,Als wij van de tweede generatie al zo reageren, dan kun je nagaan hoe onze ouders en grootouders, de eerste generatie, zich nu moet voelen'', zegt Marcel enkele dagen later. Hij laat de foto's van zijn grootvaders zien, beiden in uniform. De vader van zijn moeder werd onthoofd door de Japanners toen hij weigerde te spugen op de Nederlandse driekleur. Marcel is daar nog steeds trots op, net als dat hij zich nog steeds kwaad kan maken over de behandeling die de Ambonese KNIL-militairen hebben gekregen voor hun trouwe dienst. Tijdens de Politionele Acties streden de Ambonese KNIL-militairen opnieuw voor koningin en vaderland tegen het Indonesische leger. Als dank werden ze naar Nederland verscheept, in kampen gestopt en aan hun lot overgelaten.

Het oude gevoel dat de Molukkers door Nederland in de steek zijn gelaten, komt nu weer terug, zegt Marcel. Drie weken geleden vroeg een platform van Molukse kerkelijke organisaties in een brief premier Kok om de situatie op Ambon bij de Verenigde Naties aanhangig te maken. Kok verwees de Molukse vertegenwoordigers door naar minister Van Boxtel van integratiebeleid. Voor de Molukkers was dat het zoveelste bewijs dat de Nederlandse regering zich niets van hen aantrekt.

Gewapende strijd

Twee weken geleden meldde het ANP dat Molukse jongeren in Breda een vrijwilligersbrigade aan het oprichten waren voor de gewapende strijd op Ambon. Trouw liet de dag erna een bestuurslid van de jongerenafdeling van de RMS zeggen dat dat weliswaar onwaarschijnlijk was, maar dat hij militante acties in Nederland, net als in de jaren zeventig, niet uitsloot. De dag daarna deed de RMS-regering op een haastig bijeengeroepen persconferentie haar best om de geruchten te ontzenuwen: haar was niets bekend van plannen voor acties, noch in Nederland, noch op Ambon, zo verzekerde RMS-president Tutuhatunewa.

Marcel heeft de organisatie van de stille tocht besproken met de Culemborgse politie. Nu brieft hij het publiek dat zich deze zondagavond opnieuw in de Molukse kerk heeft verzameld. De Culemborgse politie hield rekening met problemen, vertelt hij enigszins verontwaardigd. ,,Ze vroegen wel vijf keer dezelfde soort vraag. Hoeveel personeel ze achter de hand moesten houden. Of ik moeilijkheden verwachtte.'' Maar de initiatiefgroep wil geen politieke demonstratie houden. Het moet een stille tocht worden. ,,Het gaat erom om onze onderlinge verbondenheid te tonen'', zegt Marcel. ,,Gedraag je daarom waardig. Let op de anderen. En geen RMS-vlaggen alsjeblieft.''

Een oudere jongere van de tweede generatie explodeert. ,,Wat maakt dat uit, dat maakt toch niets uit?''

Marcel telt tot tien: ,,We kunnen toch gewoon met elkaar praten?''

Uiteindelijk wordt een compromis gesloten. Wie het rood-wit-blauw-groen van de RMS wil voeren, doet dat op eigen verantwoordelijkheid. Maar buiten is nauwelijks een vlag te zien. Zo'n vierhonderd Culemborgse Molukkers verzamelen zich achter een wit laken, dat de omtrek van de stoet markeert. Op de Molukken wordt hetzelfde laken gebruikt als twee dorpen de onderlinge pela opnieuw bevestigen. Met fakkels en lampionnen trekt de stoet door de donkere, stille buitenwijk. Op het historische marktplein staat burgemeester Van Vugt op het bordes van het stadhuis te wachten. Of het nu zenuwen of verdriet om Ambon is, Marcel slaagt er niet in om de petitie voor te lezen. Gitte neemt het van hem over en houdt een korte toespraak, gevolgd door die van de burgemeester en een minuut stilte.

De volgende dag overheerst de opluchting. ,,Natuurlijk is het niet genoeg'', zegt Myra. ,,Maar we hebben ten minste iets gedaan.'' Marcel haalt zijn zoontje op van school. Als hij door een Molukse moeder toch nog gecomplimenteerd wordt over zijn optreden, glimt hij van trots. Toen hij de eerste beelden van Ambon op tv zag, had hij gevloekt, vertelt hij. ,,`Belanda Tjuki' wilde ik roepen: Nederland godverdomme. Ik heb de vloek niet afgemaakt. Toen belde Gitte. Enkele dagen daarna heb ik mijn gevoel op papier gezet. Belanda tjoh dengar dulu heb ik ervan gemaakt: `Nederland, hoor ons aan'.''