Hollands Dagboek

Remco Campert (69) schreef dit jaar samen met zijn vriend en compagnon Jan Mulder het Boekenweek-essay, `Familie-Album'. Hij is getrouwd en heeft vier (stief)kinderen.

Dinsdag 9 maart

Eerst maar het stukje voor CAMU (de Volkskrant) schrijven, want daar krijg ik de rest van de dag de kans niet meer voor. Het komt moeizaam tot stand, want ik moet het op het verkeerde moment van de dag schrijven. Meestal begin ik er om een uur of zes in de middag aan. MU (Jan Mulder) blijkt hetzelfde te doen.

Om half vier ben ik bij café Eik en Linde waar het Journaal Jan en mij wil filmen. Ze hebben ons gevraagd om familiefoto's mee te nemen. Ik heb er twee bij me, Jan heeft thuis een la boordevol foto's uit de kast getrokken en sjouwt die het café in. Het Journaal belt dat ze in een verkeersopstopping terecht zijn geraakt. Jan heeft nu de tijd om wat foto's uit te zoeken. Radeloos tast hij in de la. Hij vindt ze allemaal even mooi. Ik denk aan lang geleden toen ik voor de VPRO-radio regelmatig optrad in de bovenzaal van Eik en Linde met o.a. Ischa en Cor Galis. Even een treurig gevoel, want ook alweer dood. Het is een perfecte cafémiddag. Buiten motregent het.

Als het Journaal klaar met ons is steken we over naar de studio van B en W waar we (Connie is er nu ook bij) met Paul Witteman praten. Om zes uur ben ik thuis. Ik trek een net pak aan (nog netter dan bij Witteman) en eet een bordje chili con carne. Vervolgens gaan D. en ik naar de Sociëteit de Kring, vlak bij de Stadsschouwburg waar het Boekenbal plaatsvindt. Op De Kring hebben we de familie bijeengeroepen met het doel en bloc de schouwburg te betreden.

Woensdag

Na alle voorafgaande aandacht van televisie, radio en kranten enigszins zombie-achtig op het Boekenbal rondgelopen, steunzoekend bij champagne waar ik eigenlijk niet van houd. Te veel mensen gesproken en gezien om te onthouden. De kinderen en aanhang zwermden al snel uit naar danszalen waar ze nog tot laat gesignaleerd zijn. D. en ik gingen om kwart over 12 naar huis waarmee we ons all-time-record voor vroegtijdig het Boekenbal verlaten, gebroken hebben. Niet dat het er zo vervelend was, maar op een gegeven moment is het op. Daar ben ik nu meer van doordrongen dan vroeger, toen het nooit op was.

Overdag rommel ik een beetje rond in huis. Ik probeer verder te werken aan een verhaal, maar mijn wil is er niet echt bij. Doe domme boodschappen: brood, koffie, sap. Om zes uur verlost Jan me van mijn gezapigheid. We eten in restaurant Mirafiori en zoeken uit wat we vanavond in de schouwburg van Amstelveen zullen voorlezen. Jan vertelt bewogen over een meisje met wie hij gedanst heeft op het bal, zo broos, zo breekbaar, zo prachtig. En zo jong. Veertien. Veertien? ,,Veertieneneenhalf'', verbetert hij streng. In de Mirafiori bevinden zich meer après-Boekenballers. Max Pam met jarige dochter, Harry Mulisch met vrouw, zoon en hond. P. en M. zijn zo gezeten dat ze elkaar niet hoeven te zien, want het botert niet echt tussen de heren. De stad is te klein.

In de pauze na ons optreden signeren Jan en ik boeken, die voor het overgrote deel door vrouwen worden gekocht. Bij signeersessies staan de mannen altijd bedremmeld op de achtergrond.

Donderdag

CAMU schrijven. Over het signeren van boeken – het terrein dat ik tijdens deze boekenweekdagen overzie is tijdelijk sterk verkleind.

's Avonds met Jan naar de Openbare Bibliotheek van Wageningen. Ons optreden begint te lopen, de zenuwen zijn voorbij. Zes seizoenen lang (van begin oktober tot eind januari) hebben we samen door het hele land voorleesprogramma's gedaan. We zijn er een paar jaar geleden mee opgehouden omdat het te veel tijd ging kosten. Nu voegen we ons weer naadloos in de toen opgedane routine. Jan heeft sinds kort een zaktelefoontje dat natuurlijk tijdens de voorstelling geluidjes begint te maken. Het is Marianne Timmer. Wat moet ik daar nu weer van denken? De zaal die mee mag genieten, denkt dat het doorgestoken kaart is.

Ik ga mee naar de Hilversumse studio waar Barend & Van Dorp wordt uitgezonden en waar Jan aan meewerkt. (Veel Jan in dit dagboek, maar daar valt niet aan te ontkomen.) Na afloop enige consternatie, want de geïnterviewde Paul Rosenmöller heeft het pand boos verlaten. Ik hou me er buiten, Cok.

Vrijdag

In het Boekenweekessay `Familie-Album' schreef ik over mijn vader aan wie ik twee herinneringen heb. Een ervan is dat hij me als jongetje mee naar de bioscoop nam in Amsterdam en vervolgens naar een liefje van hem, `de mooiste vrouw die ik ooit heb gezien' die hij vurig begint te kussen, terwijl ik perplex toekijk. De herinnering aan dit moment is sterk, maar het is erg lang geleden en je weet nooit wat je er later aan hebt toegevoegd of veranderd.

Bij de post tref ik echter een brief aan van mevrouw E. Sternheim en die schrijft me: ,,Uw vader heeft in 1939 een tijdje bij ons, d.w.z. mijn ouders in huis gewoond op de Stadhouderskade. Zij hadden een kamer verhuurd aan een meisje, maar al heel gauw kwam daar Jan Campert bij. Dat meisje heette `Leentje Gast'. Zij voldoet aan de beschrijving die u geeft van de mooie vrouw die u bij uw vader ontmoet hebt.'' Het was dus niet het Singel, zoals ik schreef, maar de Stadhouderskade. Mevrouw Sternheim schrijft verder: ,,In ieder geval heb ik u op de Stadhouderskade gezien als jongetje van negen jaar. Dat ik mij dat zo goed herinner komt waarschijnlijk door uw opvallende verlegenheid. Zelf was ik toen achttien jaar en ook niet bepaald gemakkelijk in het leggen van contacten. Misschien heb ik het daarom zo goed onthouden. Dus als u later ergens ook maar ter sprake kwam zag ik dat beeld van dat jongetje in die lange gang met de rode kokosloper.''

Genoeg verleden voor vandaag. Morgen naar Middelburg.

Zaterdag

Om half elf rijden we naar Middelburg om daar in boekhandel Fanoy onze Boekenweekplicht te doen. We gaan extra vroeg omdat we in Middelburg willen lunchen, maar als we er aangekomen zijn blijken we geen van beide honger te hebben. Om twee uur naar de prachtige boekhandel Fanoy (mérite un détour) waar we voorlezen en signeren. Zoals overal vliegt het essay weg, de andere boeken volgen op een afstand. De paperback-editie van mijn gedichten doet het aardig. Jan ontmoet iemand die met het elftal van Vlissingen tegen hem (Ajax) gevoetbald heeft. ,,Dat moet in 1964 geweest zijn'', weet Jan zich te herinneren. ,,In Amsterdam wonnen we met 5-0, in Vlissingen werd het 1-1.''

Iemand brengt me twee foto's waarop mijn vader met vrienden op achttienjarige leeftijd. Mijn vader bracht zijn jeugd door op Walcheren waar zijn vader dokter was in Westkapelle. Hij ging naar de middelbare school in Vlissingen, de foto's zijn gemaakt in de zomer van 1920, na het eindexamen, lijkt me. De vrienden hebben strohoeden op (mijn vader een visserspetje). Ze dragen keurige pakken met vest en horlogeketting. Ze zijn klaar om het leven in te gaan. Ook ontmoet ik een vrouw die me vertelt dat haar moeder het eerste kind was dat dr. Petrus Remco Campert ter wereld hielp brengen toen hij zijn praktijk (hij kwam uit Graauw) in Westkappel vestigde. Later schreef mijn vader een roman (Wier) waarin menige Westkappelaar zich meende te herkennen. Het werd hem niet in dank afgenomen. ,,Jae, wist Campert wè dat ie de menschen zò nae an 't arte kwam?'' (Uit een ingezonden brief in de Provinciale Zeeuwse Courant, 1936).

Zondag

Een thuismatch. 's Middags wandel ik op mijn gemak naar de Openbare Bibliotheek in Amsterdam waar we `ons ding doen'. Thuisgekomen schrijf ik mijn column voor maandagochtend waarin ik sinds kort elke zondag een paar regels poëzie doe (bij uitzondering deze keer van mijzelf). Verder geen opschrijfwaardige activiteiten.

Maandag

Vrij! Zoals elke maandag in de namiddag met D. naar de bioscoop. In Cinecenter zien we Central do Brasil. De film past wonderwel in het thema van de Boekenweek – verloren zoontje op zoek naar zijn vader. Daarna onze ontroering weggegeten op De Kring.

De brieven van mijn vader aan Leentje Gast gelezen (waarvan het Letterkundig Museum er een flinke stapel bezit). Vanwege het kriebelige handschrift zijn ze moeilijk te lezen, maar er blijkt wel uit dat hij het ernstig te pakken had.

In het Boekenweekessay beschrijf ik een scène waarin de schrijver Jacques Gans en mijn vader in het Vondelpark vechten om een vrouw. In een van de brieven aan zijn geliefde Leentje tref ik de volgende passage aan: ,,Jacques Gans – je weet wel die laatst de ruiten van de communistische boekwinkel heeft ingegooid – heeft nu kans gezien op een Russisch schip dat hier ligt – de Joseph Stalin – de Finsche vlag te hijschen. Een fotograaf heeft het gekiekt. Gans leeft nog. Hij kwam vanmiddag op de United Press het verhaal doen. Ik was er echter niet, 's avonds liep ik in de Bock (een café, RC) zijn vrouw tegen het lijf, die me vroeg of ik een advocaat voor haar wist, want ze wil nu heusch scheiden. Ze is in elk geval bij Jacques weg en blijft er weg.'' Dat moet de vrouw zijn geweest om wie gevochten werd.

Dinsdag

's Ochtends CAMU geschreven voor de Volkskrant. Het blijft een probleem, dat te vroeg schrijven. Het bezorgt me een soort jetlaggevoel. Toen ik, alweer een paar maanden geleden, in Jakarta was schreef ik mijn stukjes midden in de nacht. Overdag was er helemaal geen tijd voor. En dan moest ik steeds uitrekenen hoe laat het in Holland was.

Om 1 uur 's middags rijd ik met Anna Enquist mee naar Rotterdam alwaar een bestuursvergadering van de Stichting Poets of All Nations (PAN). Onderweg zeuren we een beetje tegen elkaar over de drukte die de Boekenweek met zich meebrengt, maar eigenlijk vinden we het prachtig. Zij moet vanavond een lezing houden in Beverwijk, ik met Jan in IJsselmonde, aan de rand van Rotterdam.

Ik eet bij Martin en Connie Mooij, die me na het eten naar de Openbare Bibliotheek van IJ. brengen. Jan moet vroeg naar zijn televisieprogramma, ik blijf bij M. en C. slapen.

Woensdag 17 maart

Op weg naar Oosterhout belanden Jan en ik in een ontzagwekkende file. Aangekomen stormen we de auto uit meteen het podium op van zaal de Bussel. Ook hier gaat het weer goed, erg goed. We zouden met wat we nu doen zo de theaters in kunnen. Even is die verleiding er om weer zoals vroeger door het land te trekken, maar dan herinneren we ons waarom we daar destijds mee ophielden: de files o.a. In de pauze signeren we ons blauw: tot mijn onuitsprekelijk genoegen weer veel poëzie.

Morgen kan ik thuisblijven. Vrijdag naar Tegelen waar we overnachten, zaterdag naar Slot Loevestein en dan zit het erop. Mooie dagen met voor mij het cadeautje dat ik weer wat meer over mijn vader aan de weet ben gekomen.

Rest mij mijn dank uit te brengen aan mijn trouwe schrijfmachine die dag en nacht voor me paraat staat en zonder wier hulp ik dit Dagboek niet had kunnen schrijven.