Het weer van Berkeley

In zijn The Wealth and Poverty of Nations vat David S. Landes de hele wereldgeschiedenis samen binnen één handzaam en leesbaar boek. Wie dat doet kan natuurlijk niet op alle details letten en doortastende vereenvoudigingen zijn onontkoombaar. Ook de verklarende factoren van het wereldgebeuren mogen niet te fijnmazig zijn of te kleinschalig. De auteur haalt dan ook het weer te voorschijn als een belangrijke oorzaak van verschil tussen arme landen en rijke naties: als de mens al zijn dagelijks brood moet verdienen in het zweet zijns aanschijns, valt dat in gebieden met een gematigd klimaat langer vol te houden dan in de tropen, zodat niet alleen de boterham daar uiteindelijk dikker zal zijn maar ook het beleg.

Als het klimaat een belangrijke verklarende factor is in de wereldgeschiedenis, is het zeer begrijpelijk waarom in de Verenigde Staten de University of California at Berkeley als public university zich in alle evaluaties zo goed weet te handhaven te midden van alle private universities. Die mogen dan misschien wel rijker zijn maar hebben niet het schitterende weer van Berkeley. De vroede vaderen van California moeten toen zij in de vorige eeuw de locatie van hun universiteit uitzochten, wel een heel vooruitziende blik gehad hebben. Ik ken geen universiteit waar het weer zo aangenaam is en zo bevorderlijk voor de studie, terwijl ik toch ook een half jaar heb mogen werken aan de University of Hawaii.

De campus van Berkeley ligt aan de voet van de heuvels aan de oostzijde van San Francisco Bay. Vanaf de westzijde van de campus heeft men bij helder weer een prachtig uitzicht over de baai en de Golden Gate. De campus zelf is ruim aangelegd, vol gras en groen, bloeiende heesters en hoge pijnbomen. De campus wordt doorsneden door een klaterende beek en heeft zelfs zijn eigen natuurreservaat. De meeste gebouwen hebben stijl, en in de eenentwintigste eeuw zullen we ze zelfs mooi mogen vinden omdat ze dan antiek geworden zijn. Her en der vindt men natuurlijk ook een aantal bouwkundige misbaksels verstopt tussen de bomen. De letteren zijn bijvoorbeeld voornamelijk ondergebracht in Dwinelle Hall, een gebouw waarvoor de architect nu waarschijnlijk terecht moet branden in de hel. Maar men zal wel gedacht hebben dat het rijke geestesleven van de literatuurwetenschappers en historici gemakkelijk de lelijkheid van het beton zou kunnen compenseren. De afdeling Talen en Culturen van Oost-Azië is gelukkig gehuisvest in een klein belendend pand dat er met zijn leeuwen voor de hoofdingang heel wat charmanter uitziet.

Maar de aantrekkelijkste kant van Berkeley is toch het weer. Amerikanen waarschuwen je vaak dat het koud is in Berkeley, maar dat is niet waar. In San Francisco kan het inderdaad ook hartje zomer koud zijn en voor de plaatselijke bevolking zijn daar de toeristen die in verregaande staat van zomerse ontkleding staan te blauwbekken een bron van vermaak. `The coldest winter I ever experienced', schijnt Mark Twain ergens geschreven te hebben, `was summer in San Francisco'. Maar het korte ritje in de ondergrondse van San Francisco naar Berkeley brengt je in een andere wereld. De kille zeemist die San Francisco zo onaangenaam kan maken, heeft in Berkeley, aan de overzijde van de baai, namelijk al veel van zijn kracht verloren. Als de zeemist 's avonds vanaf de baai landinwaarts trekt, koelt hij de lucht toch nog zover af dat je geen air-conditioner nodig hebt om te slapen. En omdat het 's ochtends even duurt voordat de zon de mist heeft weggebrand, komt de temperatuur overdag vaak niet boven de dertig graden, zodat je ook dan geen air-conditioning nodig hebt om te overleven. Dat is voor vele Amerikanen misschien koud, maar voor de gemiddelde Nederlander is dat het ideale zomerweer. En dat duurt dan niet enkele dagen in het jaar, maar zo'n tien maanden lang. Alleen in november-februari wordt het soms wel zo koel dat een brandend blokje in de open haard gewenst is. Dat is ook de periode dat het wel eens regent, maar het komt ook voor dat er jaren achtereen 's winters bijna geen druppel valt.

In Berkeley ben je dus nooit te loom van de hitte en je blijft er ook gespaard voor de vloek van de air-conditioning, de repetitieve neusverkoudheid. Omdat je niet bang hoeft te zijn voor regen kun je boeken overal mee naar toe nemen. De buitenlucht garandeert een maximale helderheid van geest, dus staf en studenten worden voortdurend bezocht door briljante gedachten. Zelfs Stanford, dat toch zo dichtbij ligt, legt het wat het weer betreft in mijn opinie af tegen Berkeley omdat het daar gemiddeld aanmerkelijk warmer, om niet te zeggen heter is, zodat er onevenredig veel geïnvesteerd moet worden om Berkeley net voor te kunnen blijven in de rankings.

Eens, nu heel lang geleden, was Berkeley het centrum van studentenactivisme. Ook daar was het klimaat natuurlijk bij uitstek voor geschikt. Een van de fysieke overblijfselen van die periode is het People's Park, een stukje grond iets ten zuiden van de campus waar de universiteit een parkeerplaats wilde inrichten en radicale studenten een plantsoentje wilden aanleggen. Het is nog steeds geen parkeerplaats, maar park is ook een heel groot woord voor het miezerig stukje onland waar zwervers de nacht doorbrengen.

De levendigste straat van Berkeley is Telegraph Avenue, met zijn coffeeshops, platenzaken en boekhandels – en zijn kraampjes met revolutionaire handelswaar uit de jaren zestig en zeventig, zoals pamfletten, geurkaarsen, handgemaakte sieraden en tie-dye T-shirts in psychedelische kleurencombinaties. Alleen zijn de hippies van toen nu veranderd in verzuurde kleine middenstanders die qua levensvreugde nog heel wat kunnen leren van de gemiddelde Nederlandse marktkoopman. Ook het assortiment vertoont weinig ontwikkeling. Spoedig zullen deze voormalige revolutionairen onder een monumentenwet moeten vallen om beschermd te worden als onderdeel van de plaatselijke folklore, want anders blijken ze op zekere dag plotseling verdwenen te zijn, net als de oude Chinese man die jarenlang erbarmelijk op zijn tweesnarige viool zat te spelen bij de zuidpoort van de campus.

Op Telegraph Avenue houden boekhandels als Cody's en Moe's nog altijd dapper stand tegen de oprukkende platenzaken. Nu heb ik op zichzelf niets tegen platenzaken, en zeker niet tegen die op Telegraph Avenue, want daar heb ik, nu al weer jaren geleden, voor het eerst werk van Lorrie Morgan en Kelly Willis gevonden. Nu hoeft niemand mijn muzikale smaak te delen (het aantal liefhebbers van country is onder de lezers van deze krant niet zo groot, ben ik bang), maar ik was heel blij met die ontdekking. (Voor de lezers van Vrij Nederland wil ik erop wijzen dat de laatste plaat van Kelly Willis niet haar derde, maar al weer haar vierde is – Martin Bril heeft haar prachtige debuutalbum Well Traveled Love uit 1990 over het hoofd gezien.) Dit voorjaar bleek zelfs een van de platenzaken die ik me van een eerder bezoek herinnerde verdwenen te zijn.

Niet op Telegraph Avenue zelf, maar wel daar vlakbij bevindt zich het beste bewijs dat prachtig weer zich vanzelf transformeert in een voortreffelijk intellectueel klimaat, namelijk University Press Books. Dit is niet zo maar een goede academische boekhandel zoals je ook elders met wat moeite wel kunt vinden, maar een unieke zaak die zich toelegt op de verkoop van uitgaven van University Presses, niet alleen van de lokale University of California Press maar van vrijwel alle academische uitgeverijen in de Verenigde Staten. Ik ken geen andere boekhandel met zo'n grote voorraad van elders vrijwel onverkoopbare wetenschap die op de schappen voor het grijpen staat. Dat is wel wat anders dan de gemiddelde universitaire boekhandel met zijn grote aanbod van (aan de studenten voorgeschreven) paperbacks. Lang leve University Press Books! Zolang University Press Books bestaat zal Berkeley zich voor de humaniora moeiteloos blijven handhaven onder de allerbeste Amerikaanse universiteiten.

De conclusie van deze academische reistip moge duidelijk zijn: wie de kwaliteit van het Nederlandse universitaire onderwijs en onderzoek wil verbeteren moet beginnen bij de verbetering van het Nederlandse klimaat. En de beste sensor voor die kwaliteit is het assortiment van de boekhandels in de directe omgeving van de universiteit. Een volgende visitatiecommissie voor de letteren hoeft dan ook zelf geen boekwerk van bijna duizend bladzijden af te leveren maar kan wellicht volstaan met een bezoek aan de boekhandels in de universiteitssteden. Zelfs als de VSNU de leden van de Visitatiecommissie en de leden van alle dertien panels wat zakgeld meegeeft om boeken te kopen, valt de visitatie aanmerkelijk goedkoper uit dan in de huidige opzet, terwijl het resultaat minstens zo wetenschappelijk is.