Golden Gate

Het zal allemaal wel draaien om de persoonlijke keuze tussen wet en rechtvaardigheidsvoel, want dat wordt meerdere malen herhaalt. Maar tot na het eind van Golden Gate (John Madden, 1994) blijft onduidelijk wat de bedoeling is. Politieke fabel, existentieel drama of romantisch epos? Of toch een luchtige, theatrale satire? Zeker is dat de acteurs ook van mening verschillen.

Golden Gate opent als sprookje: `Er was ooit een man die zichzelf in een engel veranderde'. Dat moet Kevin Walker (Matt Dillon) zijn, die in 1952 begint aan zijn carrière bij de FBI. De G-men zijn druk bezig met het opsporen van communisten in San Francisco's China Town. Zonder resultaat, dus wordt ene Chen-jung Song (Tzi Ma) aangeklaagd omdat hij geld naar familie in Rood-China stuurde: handelen met de vijand. Een juridisch ideetje waar Walker zich in de loop van de jaren existentieel schuldig over gaat voelen. Wanneer Song na tien jaar uit de gevangenis komt, pleegt de gebroken man zelfmoord. Walker wil diens jonge dochter Marilyn (Joan Chen) helpen en wordt verliefd. Er is haar nooit iets vertelt over de gebeurtenissen tien jaar eerder. De flirt, het aardigste deel van de film, duurt tot Marilyn er achter komt dat hij het leven van haar vader verwoestte. Daarna gaan er weer zes jaar voorbij, alvorens Walker in zelfmoord verlossing van zijn zonden vindt - en rechtsstreeks naar de hemel vliegt, de laatste van vele doelloze metafysische gebeurtenissen.

Met Shakespeare in Love, dat momenteel in de bioscopen draait, is de Britse regisseur Madden favoriet voor een Oscar. Die sprankelende, zelfverzekerde film maakt het moelijk te geloven dat Golden Gate van de hand van dezelfde regisseur is. Misschien heeft Madden sindsdien veel bijgeleerd, maar waarschijnlijker is dat vooral scenarioschrijvers Tom Stoppard en Marc Norman die Oscar verdienen.

Golden gate (John Madden, VS, 1994), BBC1, 1.10-2.40