Examens (2)

T OEN IN de jaren zeventig de traditionele vertaling plaats moest maken voor examens in de vorm van mutiple choice, waren lang niet alle leraren vreemde talen daar gelukkig mee. De leerlingen werden passief door alleen nog maar kruisjes te hoeven zetten, het was gokken, wat kon je als leraar nou concluderen uit zo'n verkeerd geplaatst kruisje, en hoe kon dat nou dat die matige leerling ineens een 8 en die uitblinker plotseling een 4 kreeg. Die protesten ebden verbazingwekkend snel weg, zeker gezien de felheid waarmee reële en emotionele bezwaren ertegen werden ingebracht.

Dat het wel meeviel met die protesten, hing samen met de onvrede met de traditionele vertaling. Die vergde ontzettend veel tijd om na te kijken en als je als leraar dan zo'n hele stapel had doorgeworsteld, kreeg je, als dank voor een weekend noeste arbeid, de protesten over je heen van leerlingen die zich niet juist beoordeeld achtten. Zo herinner ik me de leerling die Hochbau vertaalde in hoogbouw en vervolgens te horen kreeg dat dit fout was, omdat het een germanisme zou zijn. Hij had moeten vertalen `met hoge gebouwen'. Nee, zei de leerling, een kerk is ook een hoog gebouw, maar geen hoogbouw. Het betreft hier een stadsuitbreiding met veel hoge gebouwen zoals kantoren en flats, en dat noemen wij hoogbouw. De preciezen onder de leraren meenden overal een germanisme, gallicisme of anglicisme in te moeten bespeuren, terwijl de meer rekkelijken het standpunt huldigden dat het er vooral om ging of duidelijk was dat je de tekst begreep. En dat laatste, daar ging het natuurlijk ook om.

Maar terwijl de leerlingen bezig waren om met hun vertaling te bewijzen dat ze de Engelse, Franse of Duitse tekst begrepen, oefenden ze ook iets heel anders, iets wat niets te maken heeft met de kennis van die vreemde taal.

Bij een vertaling krijg je een bepaalde redenering aangeboden in een vreemde taal, met als opdracht die zo precies mogelijk in het Nederlands weer te geven. Dat is wat we ook doen als we bijvoorbeeld een essay schrijven: we hebben een gedachte en om die over te dragen op de lezer, moeten we die vervolgens zo formuleren dat alle misverstand is uitgesloten. Leerlingen leerden vroeger schrijven dankzij het bestaan van de vertaling. Met het verdwijnen daarvan is ook het oefenen van schrijfvaardigheid nagenoeg uit het onderwijs verdwenen. Het resultaat zie je in het HBO en op de universiteiten. En trouwens ook nog daarna. De computer heeft er dan wel voor gezorgd dat notities, verslagen en dergelijke op het eerste gezicht een verzorgde indruk maken, en het spellingsprogramma heeft er ook nog eens de schrijffouten uitgehaald, maar de teksten zelf zijn onhelder, weinig precies en zoutloos. Als er zo ongeveer staat wat men bedoelt te zeggen, is het al lang mooi genoeg. Aanmerkingen worden gepareerd met `je begrijpt toch wat er staat', en als het er niet staat, heet het `je begrijpt toch wat ik bedoel'.

Decennia voordat gesproken werd over het studiehuis, was dus al sprake van voorbeeldige collegiale samenwerking tussen de docenten vreemde talen en Nederlands. Zou het niet nuttig zijn die samenwerking in ere te herstellen en nu bewust na te streven wat toen een bijproduct was? De vertaling als oefening, ter wille van het Nederlands. Overigens niet ter vervanging van de multiple-choice-examens, want het gaat niet zozeer om die vreemde taal alswel om het Nederlands. Dus af en toe een tekstje waarbij leerlingen gedwongen worden zich het hoofd te breken over de vraag: hoe zeggen we dat nou in het Nederlands? Niet zo ongeveer, want de lezer begrijpt toch wel wat ik bedoel, maar zo precies mogelijk.