EU is het geloof van doortrapte cynici

De huidige crisis in de Europese Unie is een uitstekende gelegenheid om paal en perk te stellen aan haar macht, vindt Bernard Connolly. De volken van Europa moeten loyaal zijn aan nationale en niet aan supranationale politieke instituties.

Christian Wernicke daarentegen meent dat de loyaliteit van de Europeanen aan de Brusselse zaak juist bevorderd moet worden, en wel door middel van het opstellen van een Europese grondwet.

De Europese Commissie is een corrupte instelling. Ze is corrupt omdat ze niet in laatste instantie verantwoording verschuldigd is aan de belastingbetalers van de EU-lidstaten, die het geld fourneren dat vervolgens wordt misbruikt door de Commissie. Dat zal niet veranderen door een wisseling van de wacht.

En het betreft ook niet de Commissie alleen. De hoogste instantie in de EU–piramide, de ministerraad, is al evenmin verantwoording verschuldigd (en geniet met de regeringen van Cuba en Noord-Korea de twijfelachtige eer dat haar wetgeving in geheim overleg tot stand komt). Gebrek aan verantwoording is in de EU-structuren ingebouwd, en dat is niet alleen ondemocratisch, het is met opzet anti-democratisch.

Als Europa een federatie was, zou de functie van ongekozen Commissaris verdwijnen en zou er een Europese regering met ministers voor in de plaats komen. Deze zou dan in theorie verantwoording verschuldigd zijn aan de Europese kiezers. Maar daar is geen kans op, omdat de bevolking van de meeste EU-landen het eenvoudig niet wil. Wellicht nog belangrijker is dat politici en bureaucraten veel te ingenomen zijn met het `democratisch tekort' van Europa en van de mogelijkheden die dit biedt voor ongecontroleerde machtsuitoefening – en in sommige gevallen voor persoonlijk gewin. `Europa' is, kort en goed, de meest effectieve constructie die men heeft kunnen bedenken – behoudens een dictatuur – om democratische controle uit de weg te gaan.

Waarom zijn de kiezers bereid deze institutionele corruptie te accepteren? Het gebruikelijke antwoord hierop, in zijn meest crue vorm verwoord door Helmut Kohl, is dat er zonder `Europa' oorlog zou komen, en dat mét Europa het nirwana aanbreekt.

John Major heeft de inbreuk van de EU op de Britse vrijheid en democratie eens getracht te verdedigen door te zeggen dat er `altijd een Engeland' zou blijven. Het zou niet het Engeland zijn – laat staan het Groot-Brittannië – van Koningin, Parlement en Gewoonterecht. Maar, zo zei hij, oude vrijsters zouden van Brussel altijd na de kerk naar huis mogen blijven fietsen; lauw bier zou als voorheen wedijveren met pilsner; en op de dorpsbrink zou de klap van wilgeteen op leer weerklinken.

Major schatte de overlevingsduur van deze Engelse excentriciteiten waarschijnlijk te optimistisch. Maar stel dat hij het bij het rechte eind had. Dan werd onze identiteit volgens hem dus bepaald door een collectie culturele mythen. Voor dat soort humbug hebben de Fransen het spottende `Frengelse' woord folklorique verzonnen. Maar inmiddels vervallen de Fransen, ooit een trotse, vrije en democratische natie, ook al steeds meer in dezelfde holle symboliek als armzalig surrogaat voor hun onafhankelijkheid als staat.

Het geniale van het Britse en het Franse staatsbestel – iets dat ze gemeen hebben met het Amerikaanse – was dat de natie was ontstaan uit loyaliteit aan politieke instituties. Dat heeft deze twee, meer dan enig ander Europees land, in staat gesteld werkelijk multicultureel en relatief tolerant te worden. Zouden we Europa toestaan die loyaliteit weg te nemen door de nationale instellingen machteloos te maken, dan zouden de Britse en Franse naties uiteenvallen. Het onuitroeibare verlangen van mensen om ergens bij te horen zou dan weer in stamverbanden worden uitgedrukt: in ras, taal, godsdienst, seksuele geaardheid, accent – en in haat jegens iedereen met andere stamkenmerken.

Door het Frans–zijn en het Engels–zijn te propageren in culturele termen speelt men racisten in de kaart. Als Groot-Brittannië en Frankrijk opgaan in `Europa', zullen degenen die in hun land niet tot de tribale meerderheid worden gerekend zich te weer moeten stellen tegen maar al te zeer lonende pesterijen – zoals die nu al plaatsvinden, zij het nog in milde vorm, in de twee bloesems van `het Europa der regio's', Schotland en Vlaanderen. Het naoorlogse Europa heeft de gruwelen van Noord-Ierland, Bosnië en Kosovo gezien. Naarmate de politieke naties ten val worden gebracht door de EU kan Europa nog wel meer van zulke gruwelen te zien krijgen.

Duitsland is natuurlijk nooit een politieke staat geweest, zeer tot zijn eigen nadeel. Het Duitser-zijn is altijd in etnische termen gedefinieerd; nog steeds worden voorstellen om de Duitse nationaliteit beschikbaar te stellen aan in Duitsland geboren etnische Turken als schokkend ervaren. Als `een natie zonder staat' werd het 19de-eeuwse Duitsland eerst in de `culturele' termen van romantici als Fichte en Herder gedefinieerd, en later in de economische zin van de Zollverein. Toen het Groot-Pruisische keizerrijk werd gesticht, kon dat, bij gebrek aan de politieke instituties van een democratische nationale staat, in combinatie met een hardnekkige vijandschap jegens het niet-statistische economische bestel van de zogeheten `Angelsaksische' wereld, tot de gevaarlijk dynamische kracht worden die uiteindelijk het machtsevenwicht verstoorde dat zoveel tot de Europese vrede had bijgedragen. De ondervinding in Duitsland suggereert dus dat de stelling van Kohl faliekant onjuist is.

Als Europa zich al ontwikkelt dan is dat niet in de richting van een nationale staat maar, en dat is zorgwekkend, in die van een `keizerrijk' met de trekken van het door Pruisen gedomineerde bureaucratische Reich van de keizers Wilhelm – al zal de heerschappij wellicht door Frankrijk en Duitsland gezamenlijk worden gevoerd. De Europeanen moeten zich dan op het ergste voorbereiden. Hoe moeilijker het wordt gezagdragers binnen zo'n structuur ter verantwoording te roepen, des te meer zal institutionele corruptie om zich heen grijpen. Tegelijk dreigt de effectieve vernietiging van de nationale democratieën zowel politiek terrorisme als etnische conflicten in de hand te werken. Wellicht heeft idealisme, hoe onberaden ook, een rol gespeeld in de motivatie van hen die kort na de Tweede Wereldoorlog voor een verenigd Europa pleitten. Thans is het helaas moeilijk te geloven dat er nog iemand is die oprechte idealen koestert ten aanzien van de EU. Veel minder moeite kost het om de voorstanders van `Europa' een haast doortrapt cynisme toe te schrijven.

Bernard Connolly is econoom.

© The Times