Een echte man, mét vlechten

In Lent bij Nijmegen is vorig jaar een dubbelgraf gevonden uit de vijfde eeuw v.Chr. En dat is vreemd want toen werd er nog amper begraven. Nog opmerkelijker is dat het ene lijk bóven het ander is begraven, op zijn buik. Met de gezichten naar elkaar toe dus.

DE RECENTE vondst van twee unieke graven uit de IJzertijd begon met sporen van een prehistorische nederzetting tijdens een grootschalig archeologisch vooronderzoek op een plaats waar de gemeente Nijmegen wil gaan bouwen noordelijk van de Waal. Dwars door het terrein wordt een watergang aangelegd, en dus moest er een opgraving plaatsvinden. Prehistoricus drs. P.W. van den Broeke leidde het onderzoek; hij werkt vanuit de Universiteit van Leiden voor de gemeente Nijmegen.

Bij een verdieping van de opgravingsput schampte de graafmachine afgelopen zomer een menselijke schedel. Normaal kondigt een graf zich aan door een verkleuring in de bodem, maar dat was hier niet het geval. Bij wijze van experiment besloot Van den Broeke het graf als een blok, met grond en al dus, te bergen om het later, in laboratoriumomstandigheden, verder te bestuderen. En toen kwam eronder nòg een graf te voorschijn. In dat graf lag een man op zijn rug, de kin op de borst. Links en rechts tegen zijn schedel, ter hoogte van de gehoorgang, waren horizontaal twee bronzen ringen gekit. Een derde ring zat rechts, verticaal, en iets hoger dan de horizontale aan de schedel geplakt. C-14 datering wees uit dat de mensen in in de vijfde eeuw voor Christus begraven waren, in de Midden-IJzertijd.

Deze periode en de regio waarom het gaat verschaffen de archeologie kopzorgen. Van den Broeke: ``Het graf komt uit een tijd waarin men ging afwijken van een begravingsritueel dat zo'n vijf eeuwen had standgehouden. In die langdurige traditie werden de overledenen gecremeerd. De as werd in een urn gedaan en in een kuiltje bijgezet waaroverheen een bescheiden grafheuveltje kwam. Crematie bleef in de Midden-IJzertijd de boventoon voeren, maar de verandering bestond hierin dat men er tijdelijk toe overging sommige overledenen te inhumeren. Dat is ook in het Lentse grafveld het geval.''

De achtergrond van de inhumaties is een kwestie van gissen. Van den Broeke: ``De introductie van deze afwijkende gewoonte kan op invloeden duiden van de Noord-Franse Marnecultuur. Die zijn ook in het aardewerk aanwijsbaar. De Marnecultuur was een Keltische. Maar dat betekent niet dat er hier toen Kelten rondliepen. Keltisch of Germaans is een kwestie van taal en wat hier toen werd gesproken weten we niet. Zo'n duidelijke scheidslijn bestaat er niet voor de gebruiken. In dat verband wordt wel van het Nederlandse rivierengebied gesteld dat het een overgangszone tussen verschillende culturen was.''

Hoe moeilijk het beeld uiteen te rafelen is laat een ontdekking zien in het hoger gelegen Nijmegen, oostelijk van de Waalbrug, een aantal jaren geleden gedaan, hemelsbreed honderd meter van het nu gevonden graf. Het gaat om de bijzetting van een man van aanzien. Dit graf stamt uit dezelfde tijd als de crematie- en inhumatiegraven van het Lentse grafveld. Hij was gecremeerd en had zich op dit punt dus niets aangetrokken van de mogelijke Noord-Franse invloed. Aan de andere kant, bij zijn crematie kreeg hij wel weer zijn Keltische strijdwagen mee (het enige exemplaar dat uit Nederland bekend is).

Terug naar het dubbelgraf. De onderliggende begraving eerst. ``Op het moment dat ik zag hoe twee van de sieraden aan zijn hoofd erbij lagen'', zegt Van den Broeke, ``wist ik dat het vlechtringen waren. Vlechten kenden we al uit de IJzertijd. Bijvoorbeeld de twee losse die bij Odoorn in het veen zijn gevonden. Van deze vlechten, die hoogstens enkele eeuwen ouder zijn dan de nu gevonden graven van Lent, wordt aangenomen dat ze aan een vrouw toebehoorden, niet aan een man. Maar in Lent blijkt het te gaan om een échte man. Hij had een vrij normaal skelet, was ongeveer 1,71 meter groot, maar zeer gespierd. Daar wijzen de sterk ontwikkelde spieraanhechtingen op. Aan de derde, verticale ring zat een weerhaakje. Dat moet een oorring zijn geweest die waarschijnlijk met het haakje in de oorschelp was gestoken.''

De overledene uit het bovenste graf lag op de buik met een hand in de nek. Het geslacht van deze persoon kon nog niet worden vastgesteld. De schedel vertoont vrouwelijke trekken, het bekken mannelijke. Van den Broeke: ``Begravingen op de buik zijn een grote zeldzaamheid. Van de symboliek die daarbij hoort weten we niets, maar er spreekt zeker geen waarderende houding uit voor de overledene. Dat mag je ook afleiden uit het feit dat verscheidene veenlijken uit de IJzertijd en de Romeinse tijd op hun buik zijn aangetroffen. Men neemt aan dat veel van deze mensen terechtgesteld zijn.''

De spannendste vraag is natuurlijk: wat is de relatie tussen de twee mensen in het graf van Lent. Van den Broeke: ``Het bovenste graf en de andere inhumaties lagen in het grafveld op dezelfde diepte. Ik houd het erop dat men wist dat hier twee doden boven elkaar kwamen te liggen. Dat men daarom de eerste kuil extra diep uitgroef, daar die man in bijzette, de kuil heeft opgevuld en vervolgens die andere persoon er dwars overheen heeft gelegd. Die hand in de nek, een beschermend gebaar? Het deed me sterk denken aan een Bronstijdgraf bij Paderborn. Daar lagen een man en een vrouw naast elkaar, de voeten van de een naast het hoofd van de ander. De vrouw had schedelletsel en lijkt te zijn omgebracht en bijgezet op het moment dat de man het graf in ging. Dan gaan je gedachten onwillekeurig naar een notitie van Caesar.''

Van den Broeke doelt op een passage uit De Gallische Oorlog waarin Caesar de gebruiken onder de Galliërs beschrijft. In de vertaling van F.H. van Katwijk-Knapp luidt de passage (Boek VI.18.1) als volgt: `Als de heer des huizes uit een voornaam geslacht is gestorven, dan komen de familieleden bijeen. Rijst er enige verdenking in verband met dat sterven, dan onderwerpen ze de weduwe aan een verhoor, alsof ze een slavin was, en is ze schuldig bevonden, dan wordt ze gruwelijk gefolterd en daarna levend verbrand. De begrafenisplechtigheden zijn in verhouding tot het beschavingspeil der Galliërs luisterrijk en kostbaar. Alles waaraan men denkt dat de overledenen tijdens hun leven gehecht waren, ook dieren, werpen ze in 't vuur en nog niet zo lang geleden werden, als de ceremoniën naar behoren vervuld werden, zelfs slaven en horigen, van wie 't vaststond, dat ze hun na aan 't hart lagen, samen met hen verbrand.'

Caesar beschrijft de situatie van een paar honderd jaar later, en gaat het over verbranding, maar het is denkbaar, aldus Van den Broeke, dat zich in Lent iets vergelijkbaars afspeelde.