Doktersvrouw in zaken

Ontplooit u `voor eigen rekening aktiviteiten'? Dat is de eerste vraag, die men zich moet stellen, om belastingvoordeel te halen uit een fiscale eigen zaak.

Er bestaat een levensgroot verschil tussen de gewone bijklussende particulier die dezer dagen zijn aangiftebiljet invult en de particulier met een kleine onderneming. Het verschil is een reeks aftrekposten waar iedere belastingbetaler de vingers bij zou aflikken maar waar alleen de kleine ondernemer een beroep op kan doen. Maar die zijn er in soorten. Naast de pionier die de regering zo graag ziet, ook degenen die de fiscus aan een hobby mee willen laten betalen of zelfs de doktersvrouw die risicoloos en initiatiefloos benijdenswaardige belastingvoordelen binnenhaalt. Die laatste hoeft niet te hopen op de bijstand van de dezer dagen dolgebelde belastingtelefoon.

Ondertussen missen ook heel wat mensen door onkunde belastingvoordelen die zijn bedoeld zijn om hen een steuntje in de rug te geven in een periode waarin ze dat goed kunnen gebruiken: de beginfase van een onderneming. Dat kan ook zijn de omschakeling van een hobby of van bijklussen naar een fiscaal eigen zaakje. De eerste vraag die men zich moet stellen is `of men voor eigen rekening activiteiten ontplooit'. Deze wat cryptische formulering komt neer op een optelpost van vragen als: loopt men risico bij de uit te voeren opdrachten, heeft men meerdere opdrachtgevers, werft men zelf klanten door bijvoorbeeld advertenties en doet men zelf investeringen, ook zou het alleen maar gaan om een simpele huisvesting. Is dat alles het geval dan voldoet men aan de eisen van het ondernemerschap. Dat brengt de zelfstandigenaftrek binnen handbereik. Een aftrekpost waar geen echte kosten tegenover staan en die de betrokkenen dus zo maar in de schoot valt. Het gaat in 1998 om een aftrekbedrag van 11.085 gulden De winst mag dan niet hoger zijn dan 9.610 gulden. Voor de startende ondernemer komt daar nog iets bovenop: in de eerste drie jaar van het ondernemerschap komt daar 3.697 gulden bij. Ook als de jonge ondernemer verlies maakt, heeft hij recht op de aftrek. Die geeft dan geen onmiddellijk voordeel maar het feit dat de aftrekpost blijft staan, bespaart hem belasting zodra hij winst gaat maken.

Daar komt nog wat bij als de ondernemer in 1998 een bedrag van 20.000 gulden zou investeren in inrichting van zijn huisvesting, apparatuur, e.d. kan hij over deze investering aanspraak maken op een investeringsaftrek van bijna een kwart van de investering namelijk 4.800 gulden. Mocht hij 1998 met winst afsluiten dan mag hij bovendien belastingvrij voor zijn pensioen sparen. Daarvoor geldt een aftrekpost van twaalf procent. Als de startende ondernemer uit ons voorbeeld een winst van 75.000 gulden maakt, kan hij dus nog eens 9.000 gulden extra aftrekken voor deze fiscale oudedagsreserve. Alles bij elkaar geteld een aftrekpost van tegen de 30.000 gulden.

Dat wil iedereen wel en daarom heeft de wetgever een drempel ingebouwd: men moet tenminste 1225 uren per jaar aan de onderneming besteden. Dat is ongeveer de helft van een royale werkweek. Er zijn mensen die naast een (bijna) volledige baan ook nog eens 1225 uur aan klussen besteden. Die mensen wil de wetgever niet fiscaal subsidiëren. Daarom werd bepaald dat na de opstartfase van een onderneming waarin een baan met vast loon naast een prille onderneming mag staan, zeker de helft van de werktijd in de onderneming moet worden gestoken, wil men de ondernemingsfaciliteiten behouden. Opleidingstijd, telefoonwacht, reistijd, schoonmaken en opruimen horen allemaal bij de bedrijfstijd. In de praktijk lukt het doorgaans zonder al te veel problemen de 1225 uren bij elkaar te cijferen. De startende ondernemer kan makkelijk een parttime baan houden voordat hij of zij alle schepen achter zich verbrandt en zich helemaal in het ondernemerschap stort.

Deze faciliteiten gelden voor bijvoorbeeld een schoonheidsspecialiste en een meubelmaker maar ook voor de vrije beroeper (notaris, advocaat, adviseur, administrateur) en de freelancer. Die moet er evenwel op letten dat hij voor meer dan één opdrachtgever werkt. Anders kan hem dat zijn ondernemerschap kosten. Als hij dat in de gaten houdt, kan de freelancer ook bij langdurige opdrachten voor dezelfde opdrachtgever al snel aanspraak maken de ondernemersstatus. Dat is van belang voor mensen die vervroegd hun baan opzeggen om tot hun pensioenleeftijd op een iets rustiger tempo voor eigen rekening door te werken. De fiscale ondernemersfaciliteiten dempen de terugloop in bruto inkomen. Men kan de krenten uit de pap pikken en is aan het eind van de loopbaan toch nog even eigen baas. Prettig voor degenen die echt zo onmisbaar zijn als ze zelf geloven. Als het evenwel alleen gaat om een voortgezet dienstverband onder een andere noemer, dan steekt de fiscus zonder twijfel een spaak in het wiel.

Het ondernemerschap heeft ook een nog niet genoemd voordeel: de auto-van-de-zaak. De niet-ondernemer kan zijn zakelijke autoritten aftrekken tegen 60 cent per kilometer. Een ondernemer kan ook kiezen voor de doorgaans gunstiger mogelijkheid alle kosten van de aanschaf en het gebruik van de auto voor rekening van de onderneming te nemen. Voor het privé-gebruik van de auto moet men dan doorgaans een correctie opnemen van twintig procent van de cataloguswaarde van de auto.

In de praktijk komt het veel voor, dat de levenspartner meehelpt in het bedrijf en in juridische termen `een wezenlijke rol speelt bij de bedrijfsuitoefening'. Voor dat werk kan men hem of haar in geld uitbetalen. Dat bedrag is een verliespost bij de ondernemer en vormt belastbare inkomsten bij de partner. Zo betaalde sinds jaar en dag de arts zijn echtgenote voor het opnemen van de telefoon en in een variant daarop de tekstschrijfster haar zoon voor het draaiende houden van de computer. Sinds kort dient zich een andere, veel aantrekkelijker mogelijkheid aan.

De Hoge Raad opende die deur op 12 februari 1997 met een reeks van beslissingen. In de eerste ging het om een tandarts die was getrouwd met een verpleegkundige. Hij ging samen met haar de tandartspraktijk uitoefenen en wel in een maatschapverband. De fiscale gevolgen waar beiden op mikten waren groot: beiden claimden recht op het hele pakket aan ondernemersfaciliteiten zoals dat eerder aan bod kwam. Grote onzin, redeneerde de belastinginspecteur, een verpleegkundige mag niet eens een tandartspraktijk uitoefenen; alleen noch samen met een echte tandarts. De Hoge Raad vindt echter dat we die zaken moeten scheiden. De bevoegdheid om een beroep uit te oefenen, zo goed als het huwelijksgoederenregime hebben volgens de Hoge Raad niets te maken met de fiscale criteria voor het ondernemerschap. Als aan die eisen is voldaan, drijft de tandartsvrouw in een maatschap zelfstandig een onderneming met alle fiscale voordelen van dien.

De Hoge Raad ging in de volgende zaak nog een stapje verder. Het ging om een fysiotherapeut die met andere fysiotherapeuten een maatschap was begonnen. Heel normaal tot zover. Elk van de maten is ondernemer. Deze fysiotherapeut stapte met zijn stukje van de onderneming (zijn maatschapaandeel) naar zijn vrouw en zette dat in om ook met haar een maatschap aan te gaan: een ondermaatschap. Een dergelijke ondermaatschap heeft geen invloed op de afspraken, die de fysiotherapeut eerder met zijn medematen had gemaakt; hij hoeft zijn medematen er zelfs niets over te zeggen. In die ondermaatschap hoeft de verdeling niet 50/50 te zijn, een andere verhouding mag ook. De Hoge Raad erkende de vrouw, vanwege de ondermaatschap en omdat ze aan de criteria voor een ondernemer voldeed, als zelfstandig ondernemer. Kortom in het fysiotherapeutengezin daalden de ondernemersfaciliteiten twee keer neer.

In deze situatie lopen beiden bedrijfsrisico. Misschien heeft een van beiden daar geen zin in, zoals bij een dierenarts, het volgende door de Hoge Raad behandelde geval. De ondermaatschap werd zo opgezet dat de vrouw geen risico loopt. Daarvoor kent het handelsrecht de commanditaire vennootschap. Op die wijze werd de vrouw, die in algehele gemeenschap van goederen met de dierenarts was gehuwd, beschermd tegen de aan het beroep verbonden risico's. Dat vond de fiscus al te dol: niet delen in de risico's, maar wel aanspraak maken op de aan het ondernemerschap verbonden faciliteiten. Toch mag dat volgens de Hoge Raad; de fiscus verloor de procedure.

Kortom een vrije beroeper, freelancer of een andere kleine ondernemer kan zijn partner via een maatschapovereenkomst in zijn onderneming opnemen. De financiële risico's voor die partner mag men beperken door te kiezen voor de rechtsvorm van een commanditaire vennootschap. Het werk van de op deze manier opgenomen partner hoeft niet gelijkwaardig te zijn. De partner kan het werk van een specialist ondersteunen door de administratie te doen, de bedrijfsruimte op orde te houden, telefoontjes af te wikkelen, noem maar op. Men kan op vele manieren voldoen aan de eerder genoemde normen zoals een arbeidstijd van 1225 uur per jaar.

Staatssecretaris Vermeend (Financiën) heeft zich hier overigens niet bij neergelegd. Hij bedoelt de belastingfaciliteiten voor startende ondernemers die nieuwe bedrijven van de grond tillen; niet voor meer echtgenoten achter de telefoon. Hij legde nieuwe zaken met nieuwe argumenten aan de Hoge Raad voor. Die liet nog maar kort geleden (16 december 1998) weten dat hij geen centimeter van positie is veranderd. Het werd allemaal nog duidelijker. De Raad sanctioneerde het ondernemerschap van een tandartsenvrouw die weliswaar in een ondermaatschap zat, maar die lang niet evenredig in het lot van de onderneming deelde. Ze had bijvoorbeeld geen recht op een deel van de zogenaamde stille reserves en de goodwill. Nu is het helemaal duidelijk. Er zijn geen formele belemmeringen meer voor de partners van zelfstandige ondernemers om ook een greep te doen naar de ondernemersfaciliteiten.

Wie dit voordeel wil binnenhalen, kan het best een competente adviseur in de arm nemen want het is duidelijk dat de fiscus niet het geringste vormverzuim accepteert. In de eerste plaats is het zaak het ondernemerschap zo snel mogelijk aan te melden. De fiscus zal geen moment eerder het fiscale ondernemerschap laten ingaan. Meteen daarna moet men de akte van een ondermaatschap of een commanditaire vennootschap aan de inspecteur voorleggen. Die akte moet goed in elkaar steken.

Ook de gewone startende ondernemer moet zich natuurlijk melden. Liefst in een zo vroeg mogelijke fase van zijn ondernemerschap of zelfs al als hij serieuze plannen heeft om een hobby of een bijverdienste in een serieuze (deeltijds)onderneming om te zetten. Hij zal in beginsel een welwillende fiscus tegenover zich vinden. De Belastingdienst zet zwaar in op het documenteren en begeleiden van beginnende ondernemers en levert daarbij zo goed werk dat lang niet elke nieuwe ondernemer hulp van buitenaf hoeft in te huren. Het eerste gesprek met de fiscus kan duidelijk maken of men meteen als ondernemer wordt geaccepteerd of pas als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dat kan zijn het (deels) opzeggen van een baan. Het is goed het moment van fiscale erkenning te kennen, omdat dat het moment is waarop investeringsfaciliteiten gaan gelden en waarna men doorgaans de btw op aankopen terugkrijgt. Dit soort simpele belastingplanning kan voor startende ondernemers zeer lonend zijn.