De nieuwe Maastrichtnorm

Werken de Maastrichtcriteria nog wel? Een jaar geleden was Europa in rep en roer over de vraag welk van de lidstaten zou voldoen aan de harde financiële maatstaf die was aangelegd voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie. Een maximaal tekort van 3 procent van het bbp, zo luidde het belangrijkste van de vijf criteria. En weinig minder belangrijk was een staatsschuld van maximaal 60 procent van het bbp, al mocht een hogere staatsschuld wel, mits die maar in de richting van die zestig procent daalde. Griekenland uitgezonderd haalden alle landen die mee wilden doen de criteria, die werden berekend over 1997.

Maar sindsdien staan de Maastrichtnormen in een ander daglicht. De landen hebben zich in een stabiliteitspact verplicht om zich ook na de start van de muntunie aan de schuld- en tekortnorm gehouden. De normen zijn zelfs wat aangescherpt: het tekort van maximaal drie procent blijft het absolute plafond, waarbij een overschrijding wordt bestraft met boetes als er geen zwaarwegende redenen zijn voor dispensatie, zoals een zware economische recessie of een natuurramp. Maar het uiteindelijke streven is nu naar een begrotingsbalans of zelfs een overschot in voorspoedige tijden.

Houden de EMU-landen zich aan dat streven? Eigenlijk niet. In 1998, het jaar nadat iedereen met kunst- vliegwerk aan de Maastrichtnormen wist te voldoen, is het gemiddelde tekort maar mondjesmaat gedaald, tot vermoedelijk gemiddeld 2,1 procent. De landen hebben intussen allemaal in Brussel een plan ingediend met hun begrotingsstrategie tot en met 2002. Er zijn goede voornemens bij, zoals die van bijvoorbeeld Spanje, dat een overschot in 2002 plant. Maar met name de grote landen komen niet verder dan een reductie van hun tekort tot 1 procent. En dat bij een nogal gunstig economisch groeiscenario van tussen de 2,5 en 3 procent, dus of het doel wordt gehaald staat nog te bezien.

Nu is het aanhouden van een tekort binnen de marges die het pact stelt allereerst een zaak van politieke keuzes. Maar er zijn ook objectievere maatstaven die tekortreductie noodzakelijk lijken te maken. De kosten van de vergrijzing bijvoorbeeld – pensioenen die in veel landen uit lopende inkomsten gefinancierd worden – kunnen gaan oplopen met procenten van het bbp tegelijk.

De meest `objectieve' maatstaf komt van de Maastricht-criteria zelf. In die criteria zit een ijzeren, simpele, logica. Bij een nominale economische groei van het bruto binnenlands product van 5 procent (bijvoorbeeld 3 procent groei en 2 procent inflatie) blijft een staatsschuld verhoudingsgewijs stabiel op 60 procent van het bbp als het begrotingstekort 3 procent bedraagt.

Uitgeschreven: het bbp wordt gesteld op 100, de staatsschuld op 60. De schuld bedraagt dus 60 procent van het bbp. Als het bbp met 5 procent groeit tot 105, dan mag het begrotingstekort 3 procent hebben bedragen. De staatsschuld is dan immers opgelopen tot 60 plus de 3 aan begrotingstekort, geeft 63. En 63 is precies 60 procent van het nieuwe bbp van 105.

Wat volgt daaruit? Dat bij een structureel hogere nominale groei het tekort veel groter mag zijn om de staatsschuld toch op 60 procent te laten stabiliseren. Het alternatief is dat bij een hogere nominale groei dan 5 procent, een maximaal tekort van 3 procent resulteert in een structureel veel lagere staatschuldquote dan 60 procent.

In bijstaande grafiek is, uitgaande van de gemiddelde nominale economische groei in Euroland sinds begin jaren tachtig, weergegeven hoe hoog het begrotingstekort elk jaar had mogen zijn om de staatsschuld op 60 procent te stabiliseren.

Een scenario van hoge nominale groei zou prachtig zijn voor de sanering van Europa's staatshuishoudingen. De werkelijkheid is echter precies andersom. De inflatie is gedaald tot 0,8 procent in het eurogebied, en zal in de voorzienbare toekomst niet sterk opleven. De economische groei is ook laag: 2,5 procent is in Europa tegenwoordig al een prachtige prestatie.

Dat heeft wel tot gevolg dat de nominale groei (reële economische groei plus inflatie, die overigens in dit geval iets anders wordt gemeten dan met de stijging van de consumentenprijzen), de eerstkomende jaren veel lager zal zijn dan vroeger. De veronderstelde 5 procent, die ten grondslag ligt aan de Maastrichtcriteria en het stabiliteitspact, klopt dus niet meer. Geen vijf procent, maar drie procent nominale groei in 1999 en 2000 voor het euro-gebied is nu geen onredelijk uitgangspunt.

Wat geeft drie procent nominale groei als die wordt ingevoerd in de Maastrichtformule? Die kan twee kanten op: als gekozen wordt voor het handhaven van een maximaal toegestaan begrotingstekort van 3 procent, dan zal de staatsschuldquote (de staatsschuld als percentage van het bbp) oplopen naar 100 procent. Dat lijkt politiek geen verstandig uitgangspunt, al was het maar omdat de Europese Centrale Bank er fel tegen zou zijn.

Het alternatief is te kijken bij welk maximaal begrotingstekort de staatsschuld stabiliseert op 60 procent, als de economie maar met 3 procent nominaal groeit. In dat geval zullen de EMU-landen hun tekort niet verder mogen laten oplopen dan 1,8 procent. In feite is, in de eerstvolgende twee jaar, die 1,8 procent de nieuwe Maastrichtnorm.

Houden de EMU-landen zich daar aan? Nee. met name de grote drie, Duitsland, Frankrijk en Italië, die samen driekwart van de euro-economie uitmaken, hebben zelfs in hun rooskleurige langjarige begrotingsplan zo'n tekort in 1999 en 2000 niet voorzien. En dat zal, noodzakelijkerwijs, betekenen dat het straks alleen maar lijkt alsof iedereen in het eurogebied keurig zijn begroting saneert. Maar de staatsschuldquote zal, tegen de afspraken in, noodzakelijkerwijs verder oplopen.