CHOMSKY (8)

Naar aanleiding van het ontroerende bericht dat Chomsky op zijn verjaardag door de taalkundige gemeenschap vergeten zou zijn (Hendrik Spiering,`Wonderlijke waren woorden wezenloos?' in W&O van 23 januari, en daarop volgende brieven) wijs ik graag op de website mitpress.mit.edu/celebration/. Dat is een locatie waar bijna 200 taalkundigen uit de hele wereld bijdragen hebben gepubliceerd voor een elektronisch Festschrift bij de gelegenheid van Chomsky's 70ste verjaardag.

Het is verheugend dat NRC Handelsblad aandacht besteedt aan de debatten over Chomsky. Maar ik ben toch wel wat verbaasd over de heftigheid van sommige reacties en het gebrek aan kennis dat sommige briefschrijvers aan de dag leggen.

Het is met name de brief van prof. Van Schooneveld (gepubliceerd 20 februari) die in het belang van een juiste voorstelling van zaken niet onweersproken mag blijven. Bijna alles wat Van Schooneveld schrijft is aantoonbaar onjuist of onzinnig. Zo schijnt hij de waarheid in pacht te hebben over wat taal is (`Het is een empirisch feit dat taal bestaat uit instructies die weer bestaan uit verzamelingen van (..) identificaties uitgedrukt in termen van de klassieke verzamelingstheorie'), en meer specifiek wat syntaxis is (niet meer dan een product van de relaties tussen identificatieverzamelingen). Dit is op zijn best een hypothese, of een verzameling hypotheses, die hier om onduidelijke redenen gepresenteerd worden als evident juist.

Het probleem met deze definitie van taal is dat hij zegt wat taal doet, niet wat taal is. Deze benadering is in andere moderne wetenschappen niet gebruikelijk: glas wordt niet beschreven aan de hand van de functie van een glas, maar aan de hand van de specifieke samenstelling van de materie die wij aanduiden als `glas'. Het probleem met deze definitie van syntaxis is dat hij geen enkel inzicht geeft in wat de eigenschappen van concrete zinnen van concrete talen zijn. Van Schoonevelds uitspraak: `zo groeit een heel eenvoudig structuurprincipe uit tot enorme taalsystemen' is in essentie reductionistisch, en kan niet geëvalueerd worden zonder dat aangegeven wordt hoe de eigenschappen van die taalsystemen herleid kunnen worden tot dat eenvoudige semantische structuurprincipe. Voor zover mij bekend heeft Van Schoonevelds uitgangspunt geen concrete resultaten opgeleverd.

Van Schoonevelds reactie op Chomsky moet gezien worden tegen de achtergrond van de tegenstelling tussen de Europese en de Amerikaanse variant van het structuralisme. De Europese variant was holistisch, en wilde de eigenschappen van talen bestuderen vanuit o.a. de semantiek en de taalgebruikssituatie. De Amerikaanse variant was modulair en was in eerste instantie geïnteresseerd in het beschrijven van onderdelen van het taalsysteem op zichzelf: de fonologie, de morfologie, de syntaxis, en de semantiek. De strenge eisen die aan de methodologie gesteld werden maakten dat men zich in de praktijk beperkte tot de fonologie en de morfologie. De uiteindelijke doelstelling bleef echter het aangeven van de relatie tussen vorm en betekenis, een doelstelling die Chomsky ook nu nog expliciet onderschrijft.

Chomsky wijkt vanaf het eerste begin in twee opzichten af van het Amerikaanse structuralisme. Ten eerste is hij veel meer dan de Postbloomfieldianen, die zijn onmiddelijke voorgangers waren, geïnteresseerd in het leggen van een link tussen vorm en betekenis. Met name het concept van de dieptestructuur is bedoeld als een uitdrukking van de betekenisrelaties tussen de elementen van een zin. Zijn standpunt blijft echter modulair, in die zin dat hij eerst de syntaxis op orde wil krijgen voordat hij aan de semantiek wil gaan denken, en niet andersom. Zijn syntaxistheorie is dus bedoeld als voorbereiding op een semantiek. Ten tweede is Chomsky geïnteresseerd in kwesties van cognitief-psychologische aard, die aan de overige Amerikaanse structuralisten niet besteed waren.

Chomsky heeft volgens Van Schooneveld ergens een verkeerde principiële keuze gemaakt, die er op neer komt dat hij de formele eigenschappen van klanken, woorden, en zinnen niet verklaart vanuit de semantiek, maar beschrijft als de bouwstenen waar een latere semantische theorie van gebruik moet maken. Maar de keuze die Chomsky hier maakt kan bezwaarlijk als a priori onjuist worden gekarakteriseerd. Het is dan ook in Van Schoonevelds belang om aan te tonen dat deze keuze tot desastreuze resultaten heeft geleid. Niet in staat dat aan te tonen, neemt hij zijn toevlucht tot gescheld (`de gigantische warwinkel die hij bijeengeknutseld heeft', `zijn gepruts', `hersenspinsels') en tot malicieuze interpretaties van bepaalde ontwikkelingen in Chomskys werk. Zo wordt de suggestie gewekt dat Chomsky zijn theorie vereenvoudigen moet omdat hij een principieel verkeerde keuze gemaakt heeft, en niet omdat het het lot van elke theorie is dat hij op een goed moment vereenvoudigd wordt.

Ook de vergelijking die Van Schooneveld maakt tussen de taalkundeopleiding in Nederland in de jaren 30 en Amerika in de jaren 50 gaat mank. Zo kreeg Chomsky misschien niet dezelfde opleiding als Van Schooneveld, maar daarom nog geen slechtere, en zeker geen `buitengewoon slecht[e]'. Tenslotte is de vraag of Chomsky veel talen spreekt natuurlijk alleen relevant wanneer men van mening is dat een taal niet bestudeerd kan worden wanneer men hem niet op moedertaalniveau beheerst.

Over het belang van Chomsky als taalkundige zegt verder Roberto Bolognesi merkwaardige dingen (brief van 13 februari). Chomsky deed eind jaren vijftig twee voorstellen. Ten eerste, dat de structuur van zinnen het beste begrepen kan worden wanneer we individuele zinnen beschrijven als afgeleid van een onderliggend schema (de dieptestructuur), die idealiter universeel is en nauw samenhangt met de betekenis van de zinnen (dat laatste wordt vaak over het hoofd gezien). Ten tweede dat de kennis van dat onderliggende schema aangeboren is en niet geleerd als het resultaat van expliciete instructie (dat was toen iets nieuws).

Beide voorstellen zijn extreem invloedrijk geweest, en zijn ontegenzeggelijk van Chomsky. Het idee van een dieptestructuur maakte voor het eerst een systematische bestudering van de syntaxis in relatie tot de betekenis mogelijk, en opende allerlei nieuwe perspectieven voor de beschrijving van universalia. Het idee van de aangeboren kennis van de grammatica lag aan de bais van wat nu één van de hipste wetenschapsgebieden is, de cognitiewetenschap. Wanneer drs. De Graaf in het artikel van Spiering bijvoorbeeld zijn vermoeden formuleert dat de aangeboren kennis er niet specifiek voor taal is maar meer algemeen voor alle cognitieve processen, dan is dat niet meer dan een voetnoot bij Chomsky. De hele vraagstelling zou zonder Chomsky niet geformuleerd kunnen worden.

Chomsky wordt in de brieven van de laatste weken vooral afgerekend op zijn tweede idee, het mentalisme. De implicatie is dan dat wanneer het geloof in het mentalisme afkalft, zijn eerste idee, dat zuiver intern taalkundig is, ook onder vuur komt te liggen. Dat is evident onjuist. Chomsky's twee ideeën grijpen mooi ineen, maar staan in principe los van elkaar.

Wat ook regelmatig terugkomt is de suggestie dat Chomsky een soort goeroe is die geen tegenspraak duldt en in zijn omgeving slechts onkritische volgelingen verdraagt. Ik weet uit eigen ervaring dat dat onzin is. Chomsky is ontegenzeggelijk een autoriteit, die weinig flexibel is in het bepalen van zijn onderzoeksagenda (dat wil zeggen, hij bepaalt zijn eigen agenda). Maar zijn status in het vak is niet te danken aan blinde bewondering van een semi-religieuze groep volgelingen. Er is niemand in de taalkundige gemeenschap die zo kritisch gevolgd wordt als Chomsky. Ik ken niemand die het niet op belangrijke punten met Chomsky oneens is. Dit lijkt mij de normale gang van zaken in de wetenschap. Dat Chomsky's theorie onder vuur zou liggen suggereert dat de twee basisideeën van Chomsky hun beste tijd gehad hebben. Maar niets in het artikel van Spiering wijst erop dat dat ook werkelijk het geval is.