Angola is VN liever kwijt dan rijk

Morgen moet de ontmanteling van de VN-waarnemersmissie in Angola zijn voltooid. Niet omdat er resultaat is geboekt, maar omdat de vrede waarop de missie moest toezien onhoudbaar bleek in het verscheurde Angola.

De Guinese diplomaat Issa Diallo is een tragische figuur. Vorig jaar augustus werd hij benoemd tot speciale vertegenwoordiger van de Verenigde Naties in Angola. Zijn voorganger was enkele weken eerder omgekomen bij een vliegtuigongeluk. Diallo werd opgescheept met een mission impossible, want het `vredesproces' waarop de door hem geleide VN-waarnemersmissie in Angola (MONUA) moest toezien, was toen al vastgelopen. Noch de regering van president José Edoardo dos Santos, noch Jonas Savimbi's rebellenbeweging UNITA hield zich langer aan de vredesakkoorden van 1994 en beide partijen lieten blijken dat ze MONUA liever kwijt dan rijk waren. De missie, die de VN in vier jaar tijd 1,5 miljard dollar heeft gekost, keek de andere kant uit terwijl zowel het regeringsleger als UNITA zich herbewapende en voorbereidingen trof voor een nieuwe ronde in de 25 jaar oude Angolese burgeroorlog.

UNITA droeg aan MONUA verouderde wapens over en schafte zich via sluipwegen een nieuw arsenaal aan. Diallo mocht van de regering-Dos Santos niet naar het hoofdkwartier van Savimbi reizen en de gedeeltelijke demobilisatie van het regeringsleger werd ongedaan gemaakt met de werving van jonge recruten. De ongeveer 1.000 VN-waarnemers konden niet voorkomen dat de oorlog op 5 december werd hervat met een regeringsoffensief tegen de UNITA-bolwerken in het centrale bergland. Daarna werd de missie zelf doelwit. Rond de jaarwisseling werden twee door de VN gecharterde transportvliegtuigen onder nog onopgehelderde omstandigheden neergeschoten. Op 26 februari besloot de Veiligheidsraad het mandaat van MONUA niet te verlengen en morgen moeten de militaire waarnemers het land hebben verlaten.

Diallo's afscheid van Angola klonk wat krachteloos. ,,De VN hebben gedaan wat ze konden. Ze laten dit land niet in de steek, maar trekken zich alleen terug'', zei hij maandag op de luchthaven van Luanda. Het onderscheid was waarschijnlijk ook hemzelf niet duidelijk. Diallo blijft speciale VN-gezant voor Angola, maar met standplaats New York. Of vandaaruit tot stand kan worden gebracht wat ter plaatse niet is gelukt, een verdeling van de macht tussen de potentaten Dos Santos en Savimbi, is twijfelachtig.

Savimbi, die sinds 1966 met de zweep regeert over de Nationale unie voor de totale onafhankelijkheid van Angola (UNITA), is ervan overtuigd dat het zijn lotsbestemming is om president te worden. Dos Santos, al twintig jaar leider van UNITA's rivaal – en sinds 1975 regeringspartij – de Volksbeweging voor de bevrijding van Angola (MPLA), zal geen duimbreed wijken voor de aspiraties van Savimbi. De onverzoenlijkheid van beide mannen wijst op diepe scheuren in de Angolese samenleving, die dateren uit de periode van Portugees koloniaal bestuur.

De aanvankelijk marxistisch georiënteerde MPLA wortelt in de stedelijke middengroep van assimilados, Angolezen die Portugees konden lezen en schrijven, en mestiços, gemengdbloedigen. Beide groepen genoten onder Portugees bestuur bepaalde, in vergelijking met de blanken overigens beperkte, voorrechten. UNITA recruteerde haar aanhang vooral onder de ongeletterde plattelandsbevolking, die door de Portugezen te werk werd gesteld op de koffieplantages, en vergrootte haar gezag door coöptatie van de Chingunji-clan, de koninklijke familie van de Ovimbundu, het grootste volk van Midden- en Zuid-Angola. Savimbi zegt op te komen voor de hardwerkende Afrikanen van de dorpen en zet zich af tegen de elite van de één-partijstaat, die zich in hoofdstedelijke burelen verrijkt met de inkomsten uit 's lands olierijkdommen. Dat de MPLA-staat is vervallen in machtsmisbruik en corruptie is zeker, maar het staat ook vast dat UNITA-troepen het Angola van de dorpen decennialang hebben geterroriseerd en dat Savimbi de door hem gewantrouwde Chingunji-familie in de loop der jaren liet uitmoorden.

De tweestrijd binnen de nationalistische beweging van Angola werd scherper en bloediger toen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie na de machtsovername van de MPLA in 1975 partij kozen in dit conflict. In de droge vlakten van Zuid-Angola werden in de jaren tachtig de grootste conventionele veldslagen uit de geschiedenis van zwart Afrika uitgevochten, met aan de ene kant het MPLA-leger, versterkt met Russische tanks, MiG's en Cubaanse troepen, en aan de andere kant UNITA, uitgerust met Amerikaanse Stinger-raketten en gesteund door de hypermoderne strijdkrachten van blank Zuid-Afrika. In de jaren tachtig werd Savimbi door de regering-Reagan in Washington onthaald als een bevriend staatshoofd en gold Dos Santos als Moskous beste bondgenoot in Afrika.

Toen de Koude Oorlog ten einde liep, werd het Angolese conflict gedeïnternationaliseerd. De Akkoorden van New York, in 1988, regelden het vertrek van de Cubaanse troepen uit Angola in ruil voor de onafhankelijkheid, in 1989, van door Zuid-Afrika bestuurd Namibië. Maar Angola bleef intern verscheurd. Noch de door de VS afgedwongen en, tot verrassing van Washington, door de MPLA gewonnen verkiezingen van 1992, noch de in 1994 gesloten Akkoorden van Lusaka, die voorzagen in een regering van nationale eenheid en demobilisatie van de beide legers, konden deze kloof overbruggen. De wederzijdse ressentimenten lieten een serieuze machtsdeling niet toe; het bleef `zij of wij'.

President Dos Santos heeft op 30 januari een oorlogskabinet gevormd waarvan hijzelf premier en minister van Defensie is. Zijn persoonlijke entourage bestiert de inkomsten uit de rijke olievelden voor de kust en heeft nog niet aangeboorde reserves beleend om nieuwe wapens te kunnen kopen. De Russische premier Primakov heeft zich bereid getoond deze oude vriend – Dos Santos studeerde in de voormalige Sovjet-Unie – tegen betaling te bevoorraden uit de staatsarsenalen. UNITA beheerst diamantmijnen in Noordoost-Angola en koopt met de opbrengst wapens in de Oekraïne en Bulgarije. VN-sancties of niet, die wapens bereiken UNITA-gebied: over land via Zambia, waar zakenlui goed verdienen aan de fouragering van Savimbi, en door de lucht via het Oegandese vliegveld Entebbe, waar transporttoestellen uit Oost-Europa bijtanken, omdat de UNITA-bases kampen met een gebrek aan brandstof.

Sinds de hervatting van de burgeroorlog zijn zo'n 600.000 Angolezen op drift geraakt. Dat aantal komt bovenop de 1,3 miljoen die nog steeds ontheemd zijn sinds de vorige oorlogsronde, in 1992-'94. Savimbi's strategie is nu dezelfde als toen: hij jaagt de bevolking naar door de regering gecontroleerde steden, zonder deze in te nemen, waardoor de toch al beperkte overheidsdiensten bezwijken onder de aantallen hulpzoekers. Dat moet de Angolezen doordringen van de onverschilligheid van de regering jegens het volk en uitmonden in een revolte tegen Dos Santos. De rebellenleider vergeet dat de belangrijkste reden waarom de Angolezen hun woede niet koelen op de regering hun angst is voor Savimbi en zijn mannen.