Verliefd op de vrijheid van gisteren

Er kon tussen 1930 en 1960 geen antifascistische manifestatie, schrijverscongres of `vredesconferentie' waar ook ter wereld plaatsvinden of in het presidium zat een kalme, beminnelijke pijprokende man die de Sovjet-Unie vertegenwoordigde. Zijn naam was Ilja Ehrenburg (1891-1967) en hij was geknipt voor de rol van onofficieel ambassadeur van zijn land op dit soort bijeenkomsten. Hij had vele jaren in het buitenland gewoond, sprak vloeiend Frans, wist hoe het in de wereld toeging en kende zeer vele beroemdheden van nabij. Bovendien was hij communist, maar een die begrip voor andersdenkenden kon opbrengen.

Ehrenburg had in de jaren twintig een aantal modernistische romans geschreven, waarvan de eerste, Julio Jurenito, de aardigste is. Later werd zijn favoriete genre de reisreportage. Ook heeft hij zijn hele leven door tal van middelmatige gedichten geschreven waarvan niet duidelijk was of hij ze zelf wel serieus nam.

Zijn verhouding tot het Sovjet-regime was eigenaardig. Enerzijds heeft hij de gehele Stalin-periode door gediend als een van de vlaggenschepen van het regime, is hij nooit vervolgd en mocht hij altijd naar het buitenland reizen, anderzijds heeft hij de in ongenade geraakte vrienden uit zijn wilde jaren nooit verloochend en heeft hij altijd – maar wel diplomatiek – geijverd voor hun rehabilitatie. Hij was een man die door iedereen aardig gevonden wilde worden, door vrienden, collega's, lezers maar ook door de machthebbers en dat is hem wonderbaarlijk goed gelukt. Ook had hij een scherpe neus voor de hoek waaruit de wind woei. Stalin was nauwelijks dood of Ehrenburg schreef in 1954 al een roman onder de veelzeggende titel Dooi, waarin hij het voorbije tijdperk vergeleek met een harde winter en hij, nee geen lente, maar een eerste voorzichtige dooiperiode aankondigde. Dat was toen niet zo slecht gezien en zo heeft hij de periode van Chroesjtsjovs bewind een naam gegeven door een roman die overigens lang geen meesterwerk is.

Dat is kenmerkend voor Ehrenburg. Hij is eerder belangrijk als openbare figuur dan als auteur, de meeste van zijn werken zijn nu verouderd en zelfs in Rusland wordt hij nauwelijks meer gelezen.De laatste jaren van zijn leven heeft Ehrenburg gewijd aan het schrijven van zijn memoires. Mensen, jaren, leven dat in afleveringen verscheen in de jaren 1960-1965, beslaat ongeveer 1500 bladzijden waaruit Charles B. Timmer een keuze heeft gemaakt die in de Privé-domein serie is verschenen onder de titel Ik ben nooit onverschillig geweest.

Aesopische taal

Mensen, jaren, leven was in Rusland een sensatie. Ehrenburg schreef er met begrip en sympathie over tal van binnen- en buitenlandse schrijvers, schilders en anderen die toendertijd in de Sovjet-Unie taboe waren. Verboden en voor een deel tijdens Stalin vermoorde kunstenaars als Mandelstam, Babel, Tsvetajeva, Meijerhold en Pasternak bleken goede vrienden van Ehrenburg te zijn geweest. Hij portretteerde hen liefdevol zonder ze tot vijanden van het volk te bestempelen en citeerde soms uit nooit gepubliceerde werken. Van sommigen, zoals Babel en Mandelstam, vermeldde hij ook hoe ze aan hun eind waren gekomen. Hij deed dat natuurlijk in wat de Russen `aesopische taal' noemen, in onschuldige bewoordingen waaraan de censuur geen aanstoot kon nemen, maar zo dat de lezer meteen begreep wat hij bedoelde. Over Mandelstam, die in een kamp in Oost-Siberië om het leven is gekomen, schrijft Ehrenburg dat hij `in 1938 op tienduizend kilometer van zijn geboortestad is gestorven; ziek zat hij bij een houtvuur de sonnetten van Petrarca te lezen.'

Ehrenburgs memoires gaven in die jaren de Russische lezers de eerste aanwijzingen omtrent het lot van al die verdwenen grootheden uit de jaren twintig en dertig. En voor een jongere generatie betekenden zij een eerste kennismaking met een cultuur die voorgoed verdwenen leek (het namenregister van de Nederlandse keuze, die nog geen derde van het totaal is, telt zeventien bladzijden). Net als bij Dooi was het feit dat het boek geschreven was en kon verschijnen bijna belangrijker dan de werkelijke inhoud.

Ehrenbergs kritiek op bijvoorbeeld het Sovjet-kunstbeleid is niet mals en wordt opmerkelijk weinig `aesopisch' geformuleerd; maar overigens is Ehrenburg een meester van het eufemisme. En juist dat voortdurende verhullen is voor het nageslacht helaas het voornaamste zwakke punt van het boek. Het indirect uitdrukken van je ideeën kan tot literaire meesterwerken leiden, maar bij memoires werkt het niet goed. Een memoiresschrijver die niet volkomen oprecht is, gaat irriteren. Ik weet dat het volstrekt onredelijk en onhistorisch is, maar bij het lezen van Ehrenburg ging ik toch denken: `Man, zeg nu eens hoe het precies was, laat eens het achterste van je tong zien. Wat vind je ervan dat Mandelstam en Babel zijn vermoord door hetzelfde regime waarvoor jij in het buitenland zoveel reclame maakt?'

Een goed voorbeeld van Ehrenburgs halfslachtigheid zijn zijn woorden over vrijheid: `Ik was opgegroeid met het begrip van vrijheid dat ons door de negentiende eeuw is nagelaten (...). Ik had niet door dat niet alleen de vaste orde van zaken aan verandering onderhevig is, maar dat ook de begrippen dat zijn. De nieuwe tijd bracht veel en nam veel weg, terwijl ik de dag van morgen probeerde te benaderen met de maat van gisteren.' En elders besluit hij een passage waarin hij vertelt over zijn onbegrip voor het zinloze bloedvergieten en de `offers' die gebracht moesten worden tijdens de burgeroorlog met de woorden: `Gisteren geboren, heb ik de vrijheid van gisteren lief.' Alles verandert in tijden van revolutie, ook en vooral `absolute morele waarden' als vrijheid of rechtvaardigheid, zo leerden de communisten. Wie de nieuwe tijd meet met de morele maatstaven van de oude tijd heeft niets van de nieuwe tijd begrepen. In een onnavolgbare spagaat geeft Ehrenburg toe dat hij deze `fout' ook heeft gemaakt, dat hij beseft dat hij beter had moeten weten, en laat hij virtuoos in het midden wat hij er zelf van vindt. Anders had hij deze memoires er nooit `door' gekregen. De Sovjet-lezers van zijn tijd waren hem er dankbaar voor, maar de lezer van nu blijft met een wat vreemde nasmaak zitten.

Bohémien

Ehrenburg heeft zijn memoires de vorm gegeven van een reusachtige serie portretten van mensen die hij gekend heeft. Over zijn eigen leven is hij – althans in de hier vertaalde keuze – weinig mededeelzaam. Hij is geboren in Kiev, in een joods gezin, en is opgegroeid in Moskou. Op zeer jeugdige leeftijd was hij al actief voor de communistische partij. In 1908 werd hij gearresteerd en zat hij vijf maanden gevangen. Na zijn vrijlating zag hij kans het land te verlaten en trok hij naar Parijs waar hij leefde als bohémien en hetzelfde café frequenteerde als Picasso, Léger, Modigliani, Rivera en vele andere nu wereldberoemde schilders. In 1917 wist hij naar Rusland terug te keren. In de jaren twintig verbleef hij lange tijd in Berlijn en Parijs en in de jaren dertig begonnen zijn activiteiten op al die conferenties. Tijdens de oorlog is hij oorlogscorrespondent. En zijn hele leven lang heeft hij ontmoetingen met personen die belangrijk zijn of het later zouden worden. Als hij in Frankrijk is gaat hij bij Picasso op bezoek, in de Verenigde Staten bij Einstein, in Chili bij Neruda. Aragon, Eluard, Malraux, Gide behoorden tot zijn intieme vrienden. Hij moet een buitengewoon onderhoudend en sociaal mens zijn geweest en een boeiend gesprekspartner.

De portretten die hij van al die beroemdheden geeft zijn nog steeds buitengewoon leesbaar, hoewel die aesopische taal ze soms minder scherp maakt dan ze hadden kunnen zijn. Ehrenburg springt nooit uit de band, hij blijft altijd de verstandige, begripvolle, milde oom.

Ik ben nooit onverschillig geweest laat zich ook lezen als een geschiedenis van de Russische literatuur van de eerste helft van deze eeuw; Mandelstam, Tsvetajeva, Pasternak, Majakovski, Achmatova, Blok, Babel en vele anderen passeren de revue. Maar het blijft jammer dat er niets in staat over politiek en politici of over Ehrenburgs avonturen in de Tweede Wereldoorlog. Toen Timmer in 1990 stierf had hij pas een eerste versie van de vertaling af, die nu door Tom Eekman voor publicatie gereed is gemaakt. Dat heeft hij uitstekend gedaan voor wat het proza betreft. Bij de vertaling van de poëziefragmenten is de leesbaarheid helaas minder. Had Eekman hier te veel eerbied voor Timmer om zijn vertalingen te durven corrigeren? Regels als `Ik heb afscheid nemen aangeleerd/ In holle nachten vol ontblote klachten' doen mij in elk geval de wenkbrauwen fronsen, vooral als je weet dat deze regels uit een neo-klassiek gedicht van Mandelstam afkomstig zijn en Timmer zelf ze vijftien jaar geleden al beter had vertaald. Zo zijn er bij de poëziecitaten nog veel meer voorbeelden van rijmdwang en slechtlopende regels.

De annotatie is wat minder dan we bij de uitgaven in de reeks Privé-domein gewoon zijn. Zo zijn in het personenregister slechts de namen van de personen vermeld en de bladzijden waarop zij voorkomen. maar ontbreken biografische gegevens. Een ernstig tekort in een boek dat zo overladen is met namen die de gemiddelde Nederlandse lezer onbekend zijn. En dat terwijl Timmer op dit punt zo'n Pietje precies was.

Ondanks deze schoonheidsfoutjes is Ik ben nooit onverschillig geweest een fascinerend boek dat de wereld van de Russische en Franse kunst en cultuur van de eerste helft van deze eeuw laat zien door de ogen van een rasechte saloncommunist, een man die met zijn verstand misschien het communisme en de Sovjet-Unie omhelsde, maar wiens hart toch vooral uitging naar avant-garde literatuur, moderne kunst, Parijs en Franse wijnen.

Ilja Ehrenburg: Ik ben nooit onverschillig geweest, een keuze uit de herinneringen. Vert. Charles B. Timmer en Tom Eekman. Nawoord en aantekeningen Tom Eekman. De Arbeiderspers, 379 blz. ƒ59,90