Renate Rubinstein: Niets te verliezen en toch bang, 1978

In een tijd die zich met het doorbreken van taboes inmiddels zo verschrikkelijk verveelt dat het woord fatsoen er plotseling weer glans bij krijgt, is bijna niet meer voor te stellen hoe verstikkend het fatsoen in Nederland tot diep in de jaren zestig is geweest. De zondagsrust mocht niet verstoord, de zuilen mochten niet beledigd. Veel bleef ongezegd en de eenvormigheid stond dan ook strak op de gezichten van gezagsdragers. Het openbare leven toonde hoe het hoorde, meer dan hoe het was.

Een van de krachten die zich daar tegen verzette was, zoals het hoort, de literatuur. W.F. Hermans schroeide elk idee van zedelijke orde in de wereld weg en vond daaronder een sadistisch en chaotisch universum, zowel in zijn fictieve werk als in beschouwingen. Jan Wolkers geselde het protestantse volksdeel in romans. Harry Mulisch schreef pamfletten tegen het gezag. En dan was er nog Gerard Reve, ondermijnend op zijn eigen wijze. Na een jarenlange crisis in het schrijven van romans, ontpopte hij zich met zijn zendbrieven in de jaren zestig tot een eigensoortig autobiograaf. Hij liet zich zien als homoseksueel en alcoholist en blasfemisch godzoeker, en zo nog het een en ander. Hij liet zien wat niet hoorde, maar wat er beslist wel was – en eiste door de kracht van zijn talent op dat het er ook mocht zijn.

In die geest van individuele zelfbevrijding past ook het werk van Renate Rubinstein. De stukjes die zij vanaf 1961 voor Vrij Nederland schreef onder de naam Tamar, konden over alles gaan wat haar op zeker ogenblik maar bezighield. Ze steunde Provo, ze verdedigde Weinreb en ze woog de rechten van de Israeliërs af tegen die van de Arabieren. Maar ze had het ook over de liefde, over huis en tuin en kat en over de dilemma's rond de aanschaf van een damesmanteltje. Het enige criterium was dat het op de een of andere manier te maken moest gaan krijgen met haar eigen leven, haar karakter en geschiedenis. Min of meer per ongeluk ontwikkelde ze daarmee een nieuw genre in de letteren: de column. Een stukje dat temidden van het krantennieuws, dus middenin het openbare leven, onbeschaamd verslag deed van persoonlijke ervaringen.

Die weg eenmaal ingeslagen, was er voor Rubinstein geen weg terug. Toen haar echtgenoot in 1973 het huis verliet om nooit meer terug te keren, bleef zij in verbijstering achter met een leven dat nog slechts één onderwerp had dat haar bezighield: hoe deze klap te overleven? En dus schreef zij daarover. Haar ontreddering, haar onbegrip voor de verdwenen echtgenoot, haar woede en vooral haar diepe, diepe somberheid, op het suïcidale af – de lezers van Vrij Nederland beleefden het van week tot week met rode oortjes mee. Zo was nog nooit over een echtscheiding geschreven.

Al schrijvende besefte Rubinstein al gauw dat er een boek zat in haar stukjes. Zij was niet de enige die door het vuur moest, overal in haar omgeving `stortten de huwelijken in alsof de orkaan Lolita nu ook ons land bereikt had'. Bij de Amsterdamse rechtbank stond de rij gegadigden voor scheiding tot op de gang, het aantal scheidingen was binnen twee jaar tijd van veertig in de week tot honderd opgelopen. Het werd epidemisch, een verwoestend bijverschijnsel van de individuele bevrijding waar ze zelf met zoveel hartstocht aan had meegewerkt. Als dat geen boek waard was.

Toch zou het nog tot 1978 duren voor Niets te verliezen en toch bang verscheen, een keuze uit de columns die was aangevuld met later commentaar. Pas toen, na vijf jaar, slaagde Rubinstein erin de stof een definitieve vorm te geven, en die lange rijpingstijd verraadt wat achteraf een van de meest intrigerende kanten van het boek is. Schrijven over jezelf, gewoon je eigen leven, op het oog doodsimpel, bleek een kunst te zijn als alle kunst, met eisen van techniek en visie. Het was iets dat je moest leren, of zelf uit vinden, bij gebrek aan voorbeeld, en het mooie van Niets te verliezen en toch bang is dat die uitvindingen nog de koorts van het nieuwe hebben.

In de eerste plaats moest er een stijl ontworpen worden die aan het persoonlijke gestalte gaf zonder particulier te worden. Wie de opgekraste echtgenoot was, hoe hij heette, wat hij deed, of hij de schuld was van de scheiding en dus als een schoft gezien moest worden, dat was niet waar het om ging. Wat telde was voor Rubinstein de kern: verlaten worden, achterblijven in een stukgeslagen leven en daar toch weer iets van zien te maken. De werkelijkheid moest worden ingedikt tot een `waarheid'.

Maar dat is niet alleen een vraagstuk van de stijl, want wat mag dat zijn, de waarheid? `Ook `de waarheid' over jezelf schrijven is niet zo makkelijk als de mensen denken', zoals ze in een ander verband ooit schreef, `want het is niet iets dat er al was voor je erover schreef. Het is ook niet gelogen. Het is niettemin iets dat je moet bedenken.'

Een eerste vereiste daartoe was distantie, koele afstand, en zij meldt in Niets te verliezen dat zij in de eerste jaren na de scheiding twee manieren zag om die te vinden. Eén: zij zou een staat van sereniteit bereiken die haar leven in een weldadig licht zou zetten. (`Een voorbeeld zou ik zijn van hoe de mens verlies kan omzetten in winst, innerlijk goud dus, waar ik zeer eenvoudig en bescheiden over zou zijn, maar dat ik tot het einde van mijn dagen zou blijven beheren.') En twee, nog beter: zij zou aan de zijde van een nieuwe geliefde victorie kraaien. (`Verjonging, vernieuwing, uitslaand geluk.')

Terwijl zij vooralsnog vergeefs op een van beide uitkomsten zat te wachten, verscheen met Anja Meulenbelts De schaamte voorbij in 1976 een zelfbevrijdend boek waarin ze allebei werden gevierd. De ik van het verhaal kampt met een kille jeugd, een eenzaam huwelijk en een opgedrongen moederschap, maar dan is er verlossing. Ze ontdekt haar lichaam en haar geest en groeit naar een geheel vervullend leven, vol met zinnig werk en lesbische liefde, solidair met andere vrouwen en toch autonoom.

Maar dat was ook weer niet wat Rubinstein voor ogen had. Dat was geen waarheid en geen werkelijkheid, het was een feministische wensdroom. Ideologische agitprop, die weliswaar de schijn had van het hoogstpersoonlijke maar daarin een moraal verborgen hield, een norm voor goed gedrag. En daarmee kroop via een achterdeur godbetert het fatsoen weer binnen om te zeggen hoe het hoort.

Uiteindelijk kwam Rubinstein tot de conclusie dat er weinig anders op zat dan de werkelijkheid te nemen zoals die was, gebrekkig en wel. Bleef de victorie uit? Dan moest het zonder. Wou de sereniteit niet komen? Dan maar niet. En de distantie die ze nodig dacht te hebben om dat boek te kunnen maken, bleek in 1978 ook een andere vorm te kunnen aannemen. `Dat het nu toch verschijnt', schrijft ze cryptisch, `komt doordat ik, aangezet door het juiste woord, van de juiste persoon, op het juiste moment, mijn voorstelling van wat ik bereiken moet, gewijzigd heb.'

Waar die zin op doelt, werd pas begrijpelijk met haar postume Mijn beter ik. Die juiste persoon was Simon Carmiggelt, `de meest getrouwde man van Nederland', met wie zij in de eerste maanden van 1978 schoorvoetend een geheime verhouding kreeg. Hij was niet de verhoopte nieuwe man die haar victorie zou doen kraaien, ze ontmoetten elkaar slechts in gestolen uren. Maar zijn aansporingen (`Dat moet je opschrijven') waren genoeg om haar `het lef' te geven haar verhaal voor het oog van de lezende natie te doen zoals het domweg was geweest, vol angst en paniek en al met al dus eigenlijk volstrekt `onwaardig'. De moed die dat vereiste, dankte ze aan zijn postuum zowaar nog scandaleus geworden liefde. Three cheers voor het onfatsoen.

Renate Rubinstein: Niets te verliezen en toch bang, 1978. Meulenhoff, 24stdruk (1991), 112 blz. ƒ29,90