Regeringsleiders moeten EU in balans brengen

De geschiedenis van het gevecht tussen de Europese Commissie en het Europees Parlement over het financieel beheer gaat verder terug, maar de weigering van de parlementariërs afgelopen december de Commissie kwijting te geven voor de uitvoering van de begroting over het jaar 1996 vormde toch een mijlpaal. Dat verleidde Commissievoorzitter Santer er toe het parlement uit te dagen en om indiening van een motie van wantrouwen te vragen. In januari kwam een dergelijke motie in stemming. Deze werd verworpen maar het aantal voorstemmen brak een record. De indiening van de motie was bovendien onderdeel van een ingewikkeld spel van de socialistische fractie om een poging van liberalen en Groenen de socialiste Cresson te wippen voor te blijven. De christen-democraten raakten verdeeld nadat Santer had gedreigd dat een aangenomen motie tegen individuele commissarissen tot het vertrek van de gehele Commissie zou leiden.

Het parlement behaalde bij die gelegenheid weliswaar geen prijs voor duidelijkheid, maar het wist zich wel te verenigen op de instelling van een Comité van Onafhankelijke Deskundigen, ook wel wijzen genoemd, dat de beschuldigingen van fraude, vriendjespolitiek en wanbeheer onder het vergrootglas legde. Het rapport van de wijzen is `verpletterend' voor de Commissie. De Commissie besloot unaniem Santers dreigement van januari alsnog uit te voeren en op te stappen. Vooral de zin in de conclusies van het rapport dat het ,,moeilijk is geworden iemand te vinden die ook maar het minste gevoel voor verantwoordelijkheid heeft'' trof de commissarissen tot in het diepst van hun communautaire ziel. Toen uit het parlement geluiden kwamen dat daar de maat nu vol was, viel de beslissing er verder de brui aan te geven.

Hoewel de gewraakte zinsnede afbreuk doet aan wat verder de indruk wekt een afgewogen rapportage van falend menselijk handelen te zijn, rechtvaardigt hij nauwelijks de kritiek die verschillende commissarissen, onder wie hun voorzitter, inmiddels over de wijze mannen hebben uitgestort. De hoofdlijn van het rapport is immers dat de Commissie zich in de loop van de jaren negentig heeft ontwikkeld van een in eerste aanleg initiërende en beleidsvoorbereidende instantie tot een uitvoerend lichaam. De staf en het management werden onvoldoende aangepast aan de nieuwe verantwoordelijkheden. Dat leidde weer tot het inhuren van tijdelijk personeel en `privatisering' van de uitvoering. Het toezicht daarop liet, door onderbezetting en gebrek aan expertise, te wensen over. Een illustratieve opmerking in het rapport lijkt dan ook dat de nieuwe taken die de Commissie werden toegewezen niet aansloten op de middelen die zij ten dienste van het nieuwe beleid wist te verwerven.

Wie wil kan tussen de regels lezen dat het soberheidsbeleid van de Europese Unie de Commissie parten heeft gespeeld. De ambities en de beschikbare middelen stonden en staan niet in een evenwichtige verhouding tot elkaar. Duidelijk komt dat tot uitdrukking in de passages over het directoraat-generaal waarvan commissaris Van Den Broek de leiding had. Het project om de veiligheid te vergroten van nucleaire installaties in de landen van het voormalige Oostblok ging het vermogen van de Commissie ver te boven. ,,De Commissie heeft, qua aantal en expertise, onvoldoende mankracht tot haar beschikking om programma's van een dergelijke complexiteit te beheren'', schrijven de rapporteurs. Maar dit leidde niet tot fraude of ernstige onregelmatigheden, gaat het verder.

Daarmee is overigens niet alles gezegd. Commissarissen hadden veel meer kunnen en moeten doen om het ondoorzichtige samenspel van hun ambtenaren met van buiten aangetrokken adviseurs, en onregelmatigheden bij het gunnen van opdrachten aan derden te voorkomen. In een enkel geval heeft een commissaris zelf niet zuiver gehandeld door een niet-gekwalificeerde relatie een ruim betaalde functie te laten vervullen. Ondanks zijn brede samenstelling is het Comité van wijzen niet gevallen voor het vaak gehoorde argument dat de bestuurlijke cultuur in de lidstaten nu eenmaal verschilt.

In feite heeft het Comité recht gedaan aan een viertal commissarissen die in het geruchtencircuit waren beticht van nepotisme. De commissarissen Pinheiro, Liikanen, Marín en Santer gaan vrijuit. Wulf-Mathies volgde niet de juiste procedure bij aanstelling van een lid van haar staf. Alleen Cresson heeft zich in één bewezen geval schuldig gemaakt aan vriendjespolitiek. Waarom is dan toch de gehele Commissie opgestapt om vervolgens publiekelijk uiting te geven aan persoonlijke frustraties? De collegialiteit is wel zeer ver doorgevoerd.

Het abrupte vertrek van de Commissie ontneemt het parlement de mogelijkheid om met een volwaardige Commissie te debatteren over de bevindingen van het Comité van wijzen en daaruit politieke consequenties te trekken. Dat laatste heeft de Commissie nu zelf al gedaan. Het dichten van het democratisch gat in de Europese Unie, waaraan het parlement ten langen leste is begonnen, had op een elegantere wijze kunnen worden voltooid dan nu nog mogelijk is. Het niveau, de diepgang en de reikwijdte van het rapport der wijzen hadden daar alle aanleiding toe gegeven. Door het aftreden van de Commissie is het initiatief voor de voortgang weer eenzijdig bij de regeringsleiders terechtgekomen, ook al moet hun keuze van de nieuwe voorzitter straks in het parlement worden getoetst.

Zoals de zaken nu lopen dreigt de nadruk op personen te komen liggen. De bezetting van de Commissie is belangrijk, het aanstellen van een krachtige politieke figuur als voorzitter is onder de gegeven omstandigheden niet voldoende. Premier Blair heeft weliswaar gepleit voor een hervorming met ,,wortel en tak'' van Europa, maar dat pleidooi leek meer bedoeld om de eigen, nog altijd aan Europa twijfelende achterban gesloten te houden dan dat het putte uit de bevindingen der wijzen.

De samenstelling van de Commissie is nog altijd en vooral een zaak van de lidstaten. Met de Fransman Delors kozen de regeringen de sterke man als voorzitter die zij nodig hadden voor de verwezenlijking van de interne markt en de Economische en Monetaire Unie. Met de Luxemburger Santer redden zij zich uit de impasse die zijzelf over de vervulling van het voorzitterschap hadden laten ontstaan. Hoewel opeenvolgende Commissies aan de verhoging van het ambitieniveau hebben bijgedragen, werden zij bepaald aangemoedigd door de lidstaten. Wie hervorming wil, zal ook de objectieve bevindingen van de wijzen in gedachten moeten houden. Ambities en middelen zullen beter op elkaar moeten worden afgestemd. Dat mogen ook de regeringsleiders zich aantrekken.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.