Poëzie en waanzin komen van God

Alweer lang geleden maakte regisseuse Vonne van der Meer een toneelvoorstelling van Plato's Symposion. Het is een van de voorstellingen die ik me nog altijd herinner. De acteurs zaten rondom de tafel het gastmaal te nuttigen, wijn – toneelwijn natuurlijk – drinkend. Ze spraken op lichte, on-theatrale toon over de liefde, het onderwerp van Symposion. Door de uitvoering kreeg deze dialoog van Plato een nieuwe, dramatische betekenis. Een dialoog is een samenstel van stemmen, en wanneer je thuis leest, hoor je in je hoofd alsmaar je eigen stem. Het zou mooi zijn wanneer ofwel Van der Meer of een andere regisseur Plato's Faidros, verschenen in de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf, binnenkort zou uitvoeren.

Faidros is het achtste deel van Plato's Verzameld Werk, vertaald door Warren en Molegraaf. Zeventien delen zullen uiteindelijk verschijnen, stijlvol vormgegeven door Tessa van der Waals. De Faidros heeft als omslag een kompas, Symposion een kurkentrekker en Faidon (over de onsterfelijkheid van de ziel) een herfstblad. Zo geeft de afbeelding op het omslag de essentie van de tekst weer.

Het kompas bij Faidros is terecht. Deze dialoog tussen Sokrates en Faidros, een historische figuur (ca. 450-395 v. Chr), gaat over richtingloosheid van het denken en de manier waarop het denken scherp en strak gemaakt kan worden, zodat die richtingloosheid verdwijnt. Het is de enige dialoog die zich buiten de poorten van Athene afspeelt. Het tweetal begeeft zich naar een plek ten zuidoosten van de stad, ze wandelen langs het riviertje de Ilisos. In deze idyllische omgeving praat Socrates speelser en ontspannener dan elders. Dat maakt Faidros zo boeiend. Zijn naam betekent trouwens de `Stralende'. Martha Nussbaum noemt hem `Sparkling' in haar baanbrekende boek The Fragility of Goodness. Luck and ethics in Greek tragedy and philosophy (1986). Ze wijdt het interessante hoofdstuk `Madness, reason, and recantation' (`Gekte, rede en inzicht') aan de Faidros.

Het zoeken naar beheersing, naar de kracht van de rede over emoties, is wezenlijk in het werk van Plato. Het omgekeerde geldt ook: Plato onderzoekt de waarden van het irrationele. In de Republiek noemt hij gevoelens en begeerten slechte raadgevers van de mens. Alleen het verstand kan hem redden: geluk is die toestand waarin het verstand de begeerten overheerst. Met Symposion drijft Plato de contrasten op de spits: enerzijds is er de gekte die liefde in ons aanwakkert en anderzijds bestaat er de rationele en stabiele orde van de filosofie, ons gegeven om na te denken over die gekte. Faidros voert weer verder, namelijk naar de filosofie zelf als een vorm van `gekte', een `mania'. De filosoof als een bezeten persoonlijkheid, als een op hol geslagen kompas tollend in zijn hoofd.

Sokrates geeft in Faidros iets prijs wat nieuw is. Hij erkent dat ook niet-intellectuele krachten, zoals intuïtie, van groot belang zijn voor het vinden van de juiste filosofische antwoorden. Lezen we Symposion en Faidros als twee samenhangende werken, dan valt op hoeveel wilde energie, vernietigend of juist inspirerend, Plato toekent aan de seksuele begeerte. Faidros handelt over het spanningsgveld tussen een staat van denken die ofwel door passie ofwel door intellect wordt voortgestuwd. We kunnen hierbij refereren aan de roman Zen en de kunst van het motoronderhoud (1974) door Robert M. Pirsig, waarin als alter-ego van de hoofdpersoon Faidros opduikt. Aan zijn gedachtegoed ontleent Pirsig het contrast tussen een romantische leefstijl, gebaseerd op emotie, en de klassieke wijze van leven, die zijn grondslag vindt op beheersing en rede.

De inzet van Faidros is de zin: `Je kunt beter iemand die niet verliefd is zijn zin geven dan iemand die wél verliefd is.' Want verliefdheid is vluchtig, dus een slecht begin voor een verhouding. De snel-verliefde zal vlug opnieuw in liefde ontbranden en daarmee de eerste verliefdheid ontkennen. Een zekere koelheid is een veiliger begin.

Faidros is het het eens met die frase dat je `iemand die niet verliefd is (beter) zijn zin kunt geven dan iemand die wél verliefd is'. Sokrates niet. Het is spannend te ervaren hoe Sokrates zin na zin Faidros' overtuiging in zijn tegendeel doet keren. Hoezo, stelt Sokrates, kunnen we onderscheid maken tussen de verliefde en niet-verliefde? Iedereen verlangt immers naar het geluk. Het gaat juist om de redeloosheid van het verlangen. Hij zegt: `Wanneer het redeloze verlangen dat zich op het genot van de schoonheid richt, het inzicht dat je naar het goede brengt heeft verdrongen, daarna door andere, verwante verlangens krachtig naar lichamelijke schoonheid is gedreven, en dan triomfeert, wordt vanwege al dat vertoon van macht gesproken over Eros' kracht.' De verliefde is jaloers, gaat Sokrates verder, en hij zal dus het object van zijn verliefdheid ver weg houden van de filosofie. Want de kans is groot dat de filosofie hem het inzicht geeft hoe irrationeel de verliefde is. Dus zal hij bij hem weggaan. In geestelijk opzicht heb je dus niets aan een man die verliefd is: `Dát moet je goed voor ogen houden, m'n jongen. Je moet beseffen dat een aanbidder niet bevriend met je is omdat hij je een goed hart toedraagt. Nee, alsof het om eten ging, om de maag te vullen, zoals wolven van schapen houden, zo zijn aanbidders op jongens gesteld.'

Sokrates onderscheidt echter ook nog de macht van Eros die evenzeer de filosoof als de dichter inspireert. Sokrates: `Maar het is nu eenmaal zo dat we onze grootste zegeningen danken aan dwaasheid, wanneer we die tenminste door goddelijke gave krijgen.' Hij noemt dan onder meer de dwaasheid van de profetes van Delfi in haar orakelspreuken of de Muzen die `een tere, reine ziel' aangrijpen en hen in staat van extase een lied of gedicht latenschrijven. Erg mooi is zijn rechtvaardiging van de noodzakelijke dwaasheid van de dichter: `Wie zonder dwaasheid van de Muzen voor de poorten van de poëzie verschijnt, omdat hij ervan overtuigd is dat hij door zijn vakmanschap wel een behoorlijk dichter zal worden, blijft een prulpoëet, terwijl zijn weloverwogen poëzie in vergelijking met werk van wie deze dwaasheid wél heeft, niets voorstelt.' Weloverwogen zijn is voor Sokrates een ongunstig teken. Tot slot formuleert hij, daarmee Faidros' stelling in een keer genadeloos onderuit halend: `Maar wanneer je met iemand die niet verliefd is contact hebt, gaat dat met sterfelijke zelfbeheersing gepaard, terwijl je voordeeltjes sterfelijk en schraal zijn. De ziel van het vriendje krijgt zo de slaafsheid die gewone mensen prijzenswaardig vinden en zal daarom negenduizend jaar zonder verstand rond en onder de aarde moeten draaien.'

Uiteindelijk moeten ook de wijsgeren zich in hun denken ontvankelijkheid betonen voor `de dwaasheid die van God komt, want die is zoveel belangrijker dan het van de mensen afkomstige verstand.'

Faidros is een van de meest bevrijdende dialogen van Plato. Wilde hij in zijn ideeënleer de literatuur als nabootsing, dus als ontkrachting van de werkelijkheid, verbannen, in Faidros slaat hij een brug tussen filosofie en poëzie enerzijds en de door God gegeven dwaasheid anderzijds. Een lyrisch dichter hoeft zich niet te schamen, een wijsgeer die luistert naar zijn intuïtie evenmin. In literair opzicht is Faidros een meesterwerk, scherpzinnig, poëtisch, op soepele wijze humoristisch in deze vertaling. Met een gerust hart kunnen we ons wijden aan het redeloze van verliefdheid. Sokrates heeft, daar in de idyllische velden buiten Athene, onverwachts zelfs een zwak hart voor zoiets gevoeligs als `heimwee naar de dingen van toen'. Een van die dingen is schoonheid, de kracht die ons het sterkst beheerst: `Het is alleen voor schoonheid weggelegd om sterk op te vallen en de grootste hartstocht op te wekken.'

Plato: Faidros. Uit het Grieks vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf. Bert Bakker, 86 blz. ƒ39,90.

In Kester Freriks' bespreking van de Faidros-vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf (Boeken, 19.3.99) is in het slot een deel van een regel weggevallen. Er had moeten staan: `Wilde hij in zijn ideeënleer de literatuur als nabootsing van de werkelijkheid verwerpen, nu slaat hij een brug tussen filosofie en poëzie enerzijds en de door God gegeven dwaasheid anderzijds.'