Pauline Oostenrijk zingt op haar hobo

,,Aangenaam en elegant om te zien, gemakkelijk om te bespelen en bij uitstek geschikt voor amateurs die er Highland bagpipe-melodieën op willen spelen.'' Zo adverteerde in 1874 een Engelse firma een nieuw model hobo. Donderdagavond ontving in de Anton Philipszaal in Den Haag Pauline Oostenrijk (31) de Nederlandse Muziekprijs uit handen van Rick van der Ploeg, staatssecretaris van OC&W. En aangenaam en elegant was haar spel bij uitstek, gelukkig zonder de scherpte van de bagpipe, prachtig rond en slank van toon in de beste Nederlandse ingetogen traditie.

Pauline Oostenrijk heeft als solo-hoboïste van het Residentie Orkest zeker niet te klagen over interessant werk. Met name Berlioz en Tsjaikofski waren dol op de hobo. Berlioz stelde wel dat je er beter niet naast kon zitten vanwege het indringende geluid, dat hij echter elders als teder en schuchter omschrijft! Helaas, noch Berlioz, noch Tsjaikofski schreef hoboconcerten. En dus moeten hoboïsten zich behelpen met mindere goden, zoals gisteravond de Tsjech Bohuslav Martinu. Dat is overigens een zonnig stuk, ontstaan op het zonnige terras van de Mont Boron in Nice in de zomer van 1955. Het is een concert helder en klaar, vrij van retoriek en als zodanig hoogst karakteristiek voor de Tsjech, die het schreef voor zijn langenoot Jiri Tancibudek, die net als hij na de communistische staatsgreept niet langer welkom was in eigen land.

Helaas heeft de componist de gedrukte uitgave niet meer kunnen corrigeren, hij wilde het derde deel nog uitdunnen, zelfs een tweede druk stikt van de fouten! In overleg met Tancibudek werd besloten een tweede cadens – wel wat veel voor een concert van 17 minuten– over te laten aan de keus van de solist. Het werk stelt hoge eisen aan de ademtechniek en gaat tot de ges van het drie gestreept octaaf, overigens een hobootje van een cent in vergelijking met bijvoorbeeld Feldmans Oboe and Orchestra door Han de Vries in première gebracht in het Holland Festival van 1976.

In ieder geval kon de prijswinnares in de cadensen in het Martinu-concert uitpakken. De eerste grootste, lukte het best. Opmerkelijk is hier de rol van de piano in het orkest, niet zozeer begeleidend dan wel initiërend. Het geeft het werk het karakter van een concerto grosso, Martinu's favoriete vorm. Alhoewel in het slotdeel de staccati huppelden in sierlijke pirouettes - de Russische dirigent hield de begeleiding vederlicht - is Pauline Oostenrijk vooral een legato-specialiste, wat ze nog eens benadrukte in haar opvatting van de twee door Bartók voor piano bewerkte volksliederen uit Csík (1907) door Leo Samama bewerkt, die zij als toegift gaf. De tweede kan beslist hupser, maar ik viel voor de melancholiek, elegante lange lijnen: zingen, zingen en nog eens zingen, dat drijft deze hoboïste.

Concert: Residentie Orkest o.l.v. Alexander Vedernikov m.m.v. Pauline Oostenrijk hobo. Gehoord: 18/3 Anton Philipszaal Den Haag. Radio: 4/4 14 uur Avro Radio 4.