Overheid moet duidelijk museumbeleid voeren

De door de staatssecretaris van Cultuur aangemoedigde commerciële activiteiten van musea leiden tot grote onduidelijkheid over hun positie, vindt Alexander van Grevenstein. Musea kunnen allerminst als één pot nat worden beschouwd.

Nederland gaat graag prat op het feit dat het is uitgegroeid tot het land met de dichtste museale infrastructuur ter wereld. Maar het komt zichzelf tegen. Het heeft de overheid namelijk niet belet om tot een gezamenlijk `terugtreden' te besluiten. Hierbij wordt maar al te graag verwezen naar een algemene politiek van deregulering en privatisering. Toch lijkt de aftocht zich wat overhaast te voltrekken.

Inmiddels zijn de geluiden over commercialisering, bijvoorbeeld door verkoop en lease van kunstwerken, nauwelijks bespreekbaar gemaakt, of er blijken nog andere stemmen te beluisteren. Terwijl staatssecretaris Rick van der Ploeg zich vol overgave op het commerciële pad begeeft, zijn er op andere ministeries, en met name op dat van Economische Zaken, tegengestelde krachten aanwezig die de commerciële aspiraties van gesubsidieerde instellingen aan banden willen leggen. Dit alles in het kader van het streven om al dan niet vermeende concurrentievervalsing door overheden en aan overheden gelieerde instanties tegen te gaan.

Het regeerakkoord van Paars II kondigt wetgeving aan om aan dergelijke concurrentievervalsing een halt toe te roepen. Ter uitwerking daarvan is de Sociaal Economische Raad onlangs om advies gevraagd over drie varianten voor wetgeving. Dat het om drie varianten gaat, geeft gelukkig al aan dat ook de discussie in het kabinet zelf niet tot een eenduidig standpunt heeft geleid. Het gaat te ver om hier alle varianten de revue te laten passeren. De zwaarste van de drie komt overeen met de voorstellen die een werkgroep onder leiding van Job Cohen eerder ontwikkelde. Het betreft hier een algeheel verbod voor overheden of aan overheden gelieerde instanties om commerciële activiteiten te ondernemen (behoudens een beperkt aantal wettelijk te regelen uitzonderingen).

Deze zware variant is bovendien vorig jaar door het VNO reeds in een wetsvoorstel als de Lex Cohen uitgewerkt.

Dit zou kunnen betekenen dat de musea hun winkel- en horeca-activiteiten danig terug moeten schroeven. Het is bovendien de vraag of de door staatssecretaris Van der Ploeg geëntameerde commerciële activiteiten als verkoop of lease van kunstwerken uit museale collecties de toets van marktbederf kunnen doorstaan.

Je kunt je afvragen met wie de musea van doen hebben. Wil de enige echte staatssecretaris of minister nu eens opstaan om mij en mijn collegae duidelijk te maken waaraan wij ons moeten houden?

Een praktijkvoorbeeld van heel dichtbij kan de nadelige gevolgen ruimschoots verhelderen. Drie jaar lang is door het Bonnefantenmuseum Maastricht met het Provinciaal Bestuur Limburg onderhandeld over een basiscontract inzake de exploitatie van het reeds betrokken nieuwe gebouw. In grove financiële termen vertaald komt de onlangs bereikte overeenkomst neer op een begroting (exclusief kapitaallasten) waarvan slechts 60 procent zal worden gedekt door subsidie.Naast de sponsoring en inkomsten uit entreegelden, zullen de commerciële activiteiten tenminste de helft moeten bedragen van de eigen bijdrage à ƒ 3 miljoen. De commerciële activiteiten betreffen inkomsten uit pacht, uit winkel met uitleenfunctie, leasing van kunstwerken en zaalverhuur.

Zelfs een innoverend ondernemingsplan kan niet verhelpen dat wij ons mogelijk moeten prepareren op nog eens een extra beroep op de provinciale overheid. Dit is natuurlijk te dol voor woorden en ik ben vooralsnog graag bereid om deze situatie als `accident de parcours' te beschouwen. Het geeft echter wel aan dat privatisering van de musea nog allerminst gemeengoed is. Toch zal er snel eensgezindheid moeten ontstaan omtrent de hoofdtaken en de positie van de musea.

Binnen de Europese verhoudingen en zeker in Nederland is het museum van oudsher opgevat als een collectief bezit, dat uit dien hoofde volledig van subsidies afhankelijk mocht zijn. Daaraan lagen vele ideële premissen ten grondslag, uitmondend in bijvoorbeeld gratis entree. Musea dienden zich juist geheel van de markt(en) te distantiëren.

De collectieve component, namelijk de maatschappelijke taak om de kunsten van een zo breed mogelijk draagvlak te voorzien, zal moeilijk kunnen worden losgelaten. De kosten van de overhead in de sfeer van alleen al conservering, inventarisering, ontsluiting en beheer zullen altijd zo zwaar wegen, dat een positief nettoresultaat slechts te behalen valt wanneer men bereid is zulke ideële zaken als cultureel erfgoed en de archief- en bewaarfunctie geheel te laten vallen. Het maatschappelijk belang is daar echter geenszins mee gediend.

Dit vertaalt zich niet voor niets in onveranderde eigendomsverhoudingen. De privatisering van musea heeft weliswaar met zich meegebracht dat de musea veelal een stuk onafhankelijker zijn geworden, maar de collecties zijn nog steeds (direct of indirect) collectief eigendom. Ook bij de onlangs geprivatiseerde Rijksmusea is nadrukkelijk uitgegaan van het feit dat de collecties eigendom blijven van het Rijk. Zelfs aankopen worden in naam van het Rijk verricht. Daarmee kan de nieuwe rol van musea worden omschreven als onafhankelijk en dienstverlenend, ook in de verhouding tot de overheden. De zorg, het beheer, conservering, et cetera, alsmede de verwervingen worden domweg uitbesteed. Subsidie is in dit geval dan ook niet meer dan een vergoeding voor diensten uitgevoerd door derden.

Deze stelling is van belang en vormt de onderbouwing van het feit dat musea in de strikte zin nooit of te nimmer als commerciële ondernemingen kunnen worden gezien. De commerciële activiteiten hebben slechts ten doel om tekorten te dekken en de totale begroting sluitend te houden. Zelfs in het beste geval, bij meevallende inkomsten, zal het positief saldo worden ingezet om de maatschappelijke taak beter te kunnen vervullen. De commerciële activiteiten kunnen niet los gezien worden van een totale exploitatie.

Het is de vraag of musea nog bestempeld kunnen worden als `gelieerd aan overheden'. Hun (veelal) geprivatiseerde status doet op zijn minst anders vermoeden. Maar inmiddels is de onduidelijkheid over de positie van de musea alleen maar groter geworden. Het zijn juist de overheden die deze schimmige status in stand houden. Want zij willen kennelijk niets liever dan dat de musea verschillende petten opzetten. Hun wordt immers regelmatig een grote mate van onafhankelijkheid voorgehouden. Maar tegelijkertijd worden ze te pas en te onpas toegesproken alsof ze nog steeds als overheidsinstantie opereren. Dat ligt inmiddels anders.Het lijkt daarom redelijk te denken dat verzakelijkte musea een verzakelijkte en éénduidige overheid veronderstellen.

Marktgerichte musea behoeven bovendien andere randvoorwaarden. Alleen al het feit dat de huidige musea regelrechte concurrenten zijn geworden (weliswaar in alle collegialiteit) belet de overheden om hen in hun gezamelijkheid toe te spreken, laat staan te berispen. De overheden moeten leren omgaan met het individueel profiel en de individuele strategie van de verschillende musea. Individueel kunnen er zulke grote verschillen ontstaan dat de musea nog allerminst als één pot nat kunnen worden beschouwd. De overheid zal zelf moeten uitmaken wat zij met de diverse collecties wil en zelf moeten aangeven welke taken worden uitbesteed.

Hiertoe dient een eigen toetsingsmechanisme te worden ontwikkeld. Ook de overheid is immers partij geworden, die op zoek moet naar onafhankelijke museale partners die bereid zijn om zorg te dragen voor haar collectie en allerlei daaraan gekoppelde wensen. Daarmee initieert de overheid veeleer een continu proces van aanbesteding dan van moraliserende randvoorwaarden of opgelegd pandoer. Dit biedt uitzicht op een transparante verhouding die voor beide partijen een heilzame uitwerking zal hebben.

Alexander van Grevenstein is directeur van het Bonnefantenmuseum in Maastricht.