Op de rand van de gekte

Wraak is helemaal niet – zoals de aan Goebbels toegeschreven uitdrukking wil – een gerecht dat koud wordt gegeten, maar kan verschroeiend heet worden opgediend. Hoe eerder de wraak op tafel komt, des te pittiger de smaak.

In haar nieuwe verhalenbundel Zondagskinderen schrijft Maria Stahlie over wraakgevoelens. Haar personages zijn vaak verkrampt van haat: jegens een vader, een broer of een echtgenoot, een enkele keer jegens hun noodlot, maar meestal haten zij zichzelf. Hun wraakzucht is niet berekenend, ze wachten niet tot die is bekoeld alvorens toe te slaan. Weliswaar verzinnen ze strategieën om hun kolkende gemoed onder controle te houden, maar een simpele gebeurtenis kan voldoende zijn om volledig te ontsporen.

Uit het lood of op een dwaalspoor raken, uit de luwte geschoten worden: het zijn toestanden waarin Stahlies personages regelmatig terechtkomen en die ze nodig hebben om – even toevallig – hun balans weer te vinden. Soms is een ochtendbriesje alles wat nodig is om zo'n proces in werking te zetten. In het autobiografisch aandoende openingsverhaal, bedoeld als proloog, legt Stahlie uit hoe dit werkt. De ik-figuur is een schrijfster die met haar man Dick (blijkbaar dezelfde aan wie de bundel is opgedragen), een zomerse vakantiemaand doorbrengt in het leegstaande huis van haar zus. Ze heeft last van een writers' block, haar hoofd is leeg, haar verbeelding op en het enige wat ze ervaart is onverstoorbaarheid.

Niets maakt wat uit. Het doet er niet toe dat een overspelige overbuurvrouw zich vrijwel iedere middag op hetzelfde tijdstip, staande tegen de muur van haar slaapkamer, laat nemen door ene Harry. De impotente schrijfster bespiedt het tweetal als een verslaafde voyeur, maar blijft er gedachteloos, fantasieloos en dadeloos bij. Totdat een ochtendbries haar verbeelding wakker roept en de tijd rijp is voor verhalen.

En wat voor verhalen: of Stahlie nu in de huid kruipt van een vrouwelijke tandarts met een bijna-dood-ervaring, de gedaante aanneemt van een pubermeisje dat haar buurvrouw in een bad vol bloed aantreft, of een studente creëert die na een abortus naar Nieuw Zeeland afreist, ze treft ze allemaal diep in hun kwetsbare zielen. Nuchtere vrouwen zijn het over het algemeen, maar inwendig vlammen ze zo heftig dat ze fouten maken ten opzichte van hun dierbaren. Neem het tienjarige meisje uit `De ironie wil', een verhaal dat zich eind jaren zestig afspeelt in een immigrantengezin in Minnesota. Ze barst van jaloezie en nijd omdat haar broer idolaat is van Kathy Roell, een jonge vrouw die voor een paar maanden in het dorp logeert. Volgens de van oorsprong Nederlandse moeder van het meisje is Kathy niemand minder dan prinses Beatrix. Of dit waar is of niet doet er uiteindelijk niet zoveel toe, belangrijker is dat haar bezoek de relatie tussen het meisje en haar broer voor altijd verstoort.

Het opvallendst aan Stahlies verhalen is dat ze, moeiteloos lijkt het wel, zoveel registers tegelijk bespeelt. In `Dwaalsporen' heeft het recalcitrante meisje Vera te maken met haar stomvervelende brave vader, de spannende buurvrouw Marcia en haar zoontje Tim. Het meisje praat voornamelijk in denigrerende adjectieven en voor de rest verzwijgt ze veel. Haar vader houdt van rechte sporen, Marcia spaart `dingen in de vorm van andere dingen' en vijfjarige Tim is zoals hij is en dus okee.

Vera weet iets dat de wereld voor iemand van wie ze houdt definitief in een nachtmerrie zal doen veranderen en ze wil hem dat uit alle macht besparen. Ze heeft Tims moeder dood in het bad zien liggen en om te voorkomen dat hem dit ooit bekend wordt, probeert ze als een waanzinnige tijd te winnen, tijd te rekken, tijd stil te zetten desnoods, waardoor een adembenemende spanning wordt opgebouwd. `Ik moest voor Tim tijd stelen, als het even kon leuke tijd, en ik moest die leuke tijd stelen van niets of niemand minder dan de dood. Dat was nog eens iets anders dan sigaretten stelen uit de supermarkt.' Tegelijkertijd, tussen de dramatische bedrijven door, schetst Stahlie buurten, milieus, verhoudingen tussen mensen en vooral een stuurs maar gevoelig meisjeskarakter.

Hetzelfde procédé, bijna thrillerachtig, maar zonder een expliciete of voorgekookte ontknoping, volgt Stahlie in `Uit de best denkbare wereld', waarin de innnerlijke crisis van een volwassen vrouw van binnenuit beschreven wordt. De oorzaak van haar tijdelijke labiliteit ligt niet – zoals ze zelf denkt – in het feit dat ze bijna dood was geweest, maar in het traumatische besef van haar geboorte. Als klein kind was het tot haar doorgedrongen dat ze de vrucht is van datgene waarvoor de (door haar gehate) vader bij haar moeder kwam. `Die gedachte bleef aan me kleven en trok mijn huid strak gedurende de dagen die mijn vader bij ons doorbracht'.

Geen enkel kind kan accepteren de vrucht te zijn van seks van zijn ouders, zoals geen mens er tegen kan dat de tijd verstrijkt of dat de dood definitief is, maar bij Stahlies personages lijkt het wel alsof zij daar voortdurend ten diepste van zijn doordrongen. Lucider dan anderen, balanceren ze op de rand van de gekte, terwijl ze ondertussen ingespannen bezig zijn zo normaal mogelijk in het leven te staan

`Zondagskinderen', het titelverhaal, beschrijft het doodnormale leven van enkele dames en heren uit de upper class. Er gebeurt nooit iets in hun veilige wereldje. Wat hen alsnog tot leven brengt, is overspel, wraak, een ordinaire afrekening. Met hetzelfde gemak graaft Stahlie zich in in de karakters van een criminele automonteur en zijn zwakbegaafde vriendin die, onderweg naar Nieuw-Zeeland een baby ontvoeren. Ze laat dit verhaal (`Een te hoge prijs') vertellen door de bij haar eigen ouders opgegroeide, inmiddels volwassen baby, een studente die haar kind zojuist is kwijtgeraakt door een onbezonnen daad.

Het is moeilijk er de vinger op te leggen wat de verhalen van Stahlie zo dwingend en goed maakt. De spanning, de taal, de sfeer, de karakters, alles werkt samen en resulteert in opwindend proza. Met minimale middelen roept de schrijfster hele werelden op, waar je als lezer in wordt gezogen. `Verhalen ontstaan en worden steeds opnieuw verteld, totdat het geen verhalen meer zijn maar waarheden. Wij Russen zijn verhalenvertellers, waarheidmakers', laat Stahlie een van haar personages zeggen. Ik vermoed dat de getalenteerde schrijfster het hier over zichzelf heeft.

Maria Stahlie: Zondagskinderen. Prometheus, 271 blz. ƒ39,90