Meer! Jongeren!

Er moeten veel meer jongeren naar de schouwburg, vindt staatssecretaris R. van der Ploeg. Maar waarom?

`Vergrijzing' is dit seizoen het modewoord in de toneelwereld. In de theaters, op discussiebijeenkomsten en in tv-programma's klinkt de jammerklacht: het bestaande publiek wordt ouder, een nieuw en jonger publiek laat het afweten. Ook al waant de theaterbezoeker zich niet bepaald in het bejaardentehuis en al draaien de educatieve activiteiten van de grote gezelschappen op volle toeren, zowel de politiek als de theatermakers zelf maken zich zorgen over het publiek.

Staatssecretaris van cultuur R. van der Ploeg kondigde deze week aan dat hij `doelsubsidies' wil introduceren, waarmee gezelschappen die `specifieke doelgroepen als jongeren of minderheden' trekken, kunnen worden beloond. Ook de geld besparende vouchers, onderdeel van het nieuwe schoolvak Culturele en Kunstzinnige Vorming, moeten het theaterbezoek stimuleren. Na de sociale en de geografische cultuurspreiding presenteert de sociaal-democratie nu de demografische cultuurspreiding. Ook een aantal vooraanstaande theatermakers, verenigd in een werkgroep van de Vereniging van Nederlandse Theatergezelschappen (VNT), noemde in een eind vorig jaar verschenen Pamflet over de toekomst van het toneelbestel de voortschrijdende vergrijzing als een probleem dat moet worden bestreden.

Vreemd genoeg bestaan er geen onderzoeksresultaten die aantonen dat het probleem ook werkelijk bestaat. De VNT meet geen theaterbezoek door jongeren, de Vereniging van Schouwburg en Concertgebouwdirecties (VSCD) evenmin. De meest recente cijfers van het CBS over naar leeftijd gemeten cultuurparticipatie gaan over 1995: in dat jaar bezocht een kwart van alle leeftijdscategorieën tussen 15 en 64 jaar minstens één toneelvoorstelling, inclusief amateurtoneel.

De stichting Cultureel Jongeren Paspoort heeft wel over langere periode onderzoek naar theaterbezoek van jongeren (12-25 jaar) gedaan. Daaruit blijkt een stijgende trend in het eenmalig theaterbezoek van jongeren met een CJP: in 1991 ging 7,9 procent één keer naar het theater, in 1995 was dat 27,1 procent, en het afgelopen jaar, 1998, was het 36 procent. Deze cijfers zijn gebaseerd op de groep van ongeveer 400.000 CJP-houders onder de 2,4 miljoen jongeren die Nederland telt.

Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau laat zien dat het bezoek aan beroepstoneel, gemeten over alle leeftijden, in de periode 1983-1995 constant is: zowel in 1983, 1987 als 1995 bezocht twaalf procent van de bevolking minstens één voorstelling. Gezien de bevolkingsgroei mogen we uitgaan van een lichte toename over de hele linie. Wetenschappelijk onderzoeker Jos de Haan van het SCP werkt aan een publicatie in de reeks Het culturele draagvlak en beschikt over recente, nog niet gepubliceerde cijfers over cultuurparticipatie door jongeren. Wat blijkt? In de disciplines literatuur, klassieke muziek en musea-bezoek is sprake van vergrijzing - in de zin van een dominanter wordende groep ouderen, niet in de zin van uitval van jongeren. Alleen in de categorie beroepstoneel is geen sprake van vergrijzing; de verhouding tussen jong en oud is constant.

Cultuurschuw

De enige beschikbare cijfers wijzen dus op het omgekeerde van wat men aanneemt: het bezoek van jongeren aan toneel neemt eerder toe dan af. Navraag bij het ministerie van OC&W leert dat de staatssecretaris inderdaad niet beschikt over recent kwantitatief onderzoek. Naast rechtstreekse informatie van de gezelschappen ontleent Van der Ploeg zijn kennis over cultuurschuwe jongeren aan het Sociaal en Cultureel Rapport 1998, in september vorig jaar uitgegeven door het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Het lijvige rapport, twee weken geleden in deze krant bestempeld als `een nieuwe bijbel', signaleert een groeiende kloof tussen jong en oud: ,,terwijl ouderen een groeiende affiniteit met de traditionele cultuuruitingen aan de dag leggen, keren jongeren zich daarvan af ten faveure van de hedendaagse populaire cultuur'. Denk bij het eerste aan opera en literatuur, bij het tweede aan film en popmuziek. Niets nieuws, zo lijkt het, zo is het altijd al geweest. Maar het gaat verder: meer dan voorheen sluiten jongeren zich op in hun eigen subcultuur met op hun leeftijd gerichte activiteiten en waarden, zonder kennis te nemen van meer traditionele cultuuruitingen.

Deze ontwikkeling ondermijnt de `geruststellende' theorie, aangeduid als het levensfase-perspectief, die door sommige cultuurdeelname-onderzoekers wordt gekoesterd: wie de vijftig is gepasseerd krijgt vanzelf belangstelling voor toneel, musea en literatuur.

Anderen, aanhangers van het socialisatie-perspectief, geloven niet langer in die vanzelfsprekendheid. Met de gelijkschakeling van populaire cultuur aan traditionele cultuur zijn jongeren tegenwoordig dermate anders `cultureel geprogrammeerd' dat ze ook op latere leeftijd aan de voorkeuren uit hun jeugd zullen blijven vasthouden. Ze zijn nooit in aanraking gekomen met traditionele cultuur, die voor hen geen andere waarde heeft dan de populaire cultuur waarmee ze zijn opgegroeid. Niemand wijst hen op de waarde van de cultuur die ze niet kennen, want ouders en opvoeders hoeden zich voor een morele afwijzing van de jeugdcultuur. De vanzelfsprekende `superioriteit' van toneel en aanverwante kunsten bestaat niet meer. Het SCP concludeert: ,,Op den duur zou dit kunnen betekenen dat het publiek van traditionele cultuuruitingen vergrijst en slinkt.''

Fatalistisch

Hier haalt Van der Ploeg zijn ideeën vandaan, in deze sociologische hypothese wortelt zijn motivatie om jongeren het theater in te jagen. Maar heeft hij ook de fatalistische uitmijter gelezen, helemaal aan het einde van het hoofdstuk `Vrije tijd, media en cultuur'? Daar staat: ,,De notie dat recentelijk opgegroeide generaties in cultureel opzicht anders geprogrammeerd zijn, geeft niettemin aanleiding tot bescheidenheid wat betreft de kans van slagen van pogingen om die generaties meer voor traditionele cultuuruitingen te interesseren.'' Vrij vertaald: vergeet het maar, jongeren zijn inmiddels te `anders' om ze nog aan te kunnen spreken.

Dat gebeurt ook nog maar nauwelijks, volgens Wim Knulst, hoogleraar sociale en culturele aspecten van vrijetijdsgedrag aan de Katholieke Universiteit Brabant. Zijn mening is iets minder pessimistisch, maar sluit aan bij die van het rapport. Dat hoeft niet te verbazen: zijn vorige werkgever was het Sociaal en Cultureel Planbureau, waar hij bovenstaand onderzoeksterrein een vaste plaats gaf. Afgezien van de korte termijn-politiek (,,Cultuurbeleid bestaat uit grillen. Nuis had cultuureducatie, een volgende politicus heeft weer een andere hobby'') voorspelt Knulst grote barrières voor de plannen van Van der Ploeg. ,,Er is geen domein in de samenleving waar jongeren en ouderen nog contact met elkaar hebben, ze leven in gescheiden werelden. Ouders en kinderen maken geen ruzie meer, maar begrijpen doen ze elkaar ook niet.'' Dat ze geen ruzie maken, is een uiting van relativisme. ,,Elke smaak geldt als authentiek, alles wordt geprezen en gesubsidieerd. In zo'n klimaat kun je mensen niet overtuigen van de waarde van iets. Kunst bestaat bij de gratie van niet-kunst.''

Van der Ploeg baseert zijn beleid op een cultuurpessimistische analyse van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de groeiende kloof tussen jong en oud. Als de theorie klopt, vecht hij met armzalige middelen als marketing en educatie tegen onoverwinnelijke sociologische beperkingen. Als de theorie niet klopt, introduceert hij onrust en maatregelen die niet nodig zijn. Misschien hebben de pessimisten gelijk en is het toneelpubliek aan het vergrijzen. Maar aantoonbaar is dat niet. Meneer Van der Ploeg, waar zijn uw cijfers?

Na de sociale en de geografische cultuurspreiding presenteert de sociaal-democratie nu de demografische cultuurspreiding

De enige beschikbare cijfers wijzen uit dat het bezoek van jongeren aan toneel eerder toe- dan afneemt