Kamer van rekenschap

IN EEN AFGELADEN Ridderzaal heeft H. Koning gisteren afscheid genomen als president van de Algemene Rekenkamer. Onder de aanwezigen bevonden zich opvallend veel `aangeklaagden'. Op zichzelf is dat niet zo verwonderlijk, want maar weinig Haagse bestuurders wisten de afgelopen jaren te ontsnappen aan een hard oordeel van de Rekenkamer. In de toegenomen activiteiten van de Rekenkamer weerspiegelt zich de drang naar het afleggen van rekenschap. Het gaat in de politiek niet meer alleen om de beleidsplannen, op zijn minst zo belangrijk is hoe het is gesteld met de uitvoering van al goedgekeurd beleid. De Rekenkamer is in deze ontwikkeling meegegroeid. Kon dit hoge College van Staat vroeger nog worden afgedaan als een `veredelde accountantsdienst', tegenwoordig strekt het werkterrein zich veel verder uit.

Voor een deel heeft de Rekenkamer dit opgedrongen gekregen. De overheidsorganisatie is als gevolg van decentralisatie, verzelfstandiging, privatisering en internationalisering aanzienlijk complexer geworden en daarmee ook ondoorzichtiger. ,,De besteding van middelen waarvoor de verantwoordelijkheid bij de ministers ligt, geschiedt de afgelopen jaren steeds meer door organisaties buiten het rijk'', schrijft de Rekenkamer in het eveneens gisteren verschenen jaarverslag. Dat vereist een uitbreiding van de bevoegdheden van de Rekenkamer. De geldstromen zijn tegenwoordig veel sneller verlegd dan de controlemechanismen aangepast. Informatie van lagere overheden of van derden – grotendeels uit collectieve middelen gefinancierde instanties – verkrijgt de Rekenkamer nog steeds op basis van vrijwilligheid. Terecht dringt de Rekenkamer aan op wettelijke bevoegdheden.

VOOR EEN ANDER deel heeft de Algemene Rekenkamer eigener beweging het onderzoeksterrein verbreed. Er zal niet meer alleen worden gelet op financieel beheer van de overheid, maar ook op de bedrijfsvoering en daarmee op de doelmatigheid. Daarbij komt volgens de Rekenkamer het accent te liggen op de onderbouwing van het beleid en de betrouwbaarheid van de beleidsinformatie, zo valt te lezen in het jaarverslag.

Hiermee komt de Rekenkamer wel heel dicht in de buurt van de controletaak van de Tweede Kamer. Onderbouwing van voorgenomen beleid zal vaker niet dan wel waardevrij zijn. Er ligt immers een politieke keuze aan ten grondslag. De vraag is dan ook of de Rekenkamer op zo'n moment een objectief oordeel kan vellen. Zeker nu ook vanuit de Tweede Kamer zelf diverse activiteiten worden ondernomen om de parlementaire controletaak te versterken, zijn heldere scheidslijnen nodig. Voorkomen moet worden dat er straks in Den Haag een diffuse `controlemarkt' ontstaat die zelf onderwerp van onderzoek wordt.

Hoe moeilijk politieke keuzes en objectieve feiten van elkaar zijn te scheiden blijkt uit het onderzoek naar het effect van fiscale stimuleringsregelingen dat gisteren ook nog in het afscheidspakket van de vertrekkende president Koning zat. De Rekenkamer mag constateren dat de betrokken departementen over weinig materiaal beschikken waaruit de resultaten van de stimuleringsmaatregelen zouden moeten blijken. Maar de opmerking in het rapport dat in bepaalde gevallen het belastinginstrument moet worden afgewogen tegen alternatieven, is voorbehouden aan de politiek.

DE REKENKAMER MOET in een permanent spanningsveld opereren; de talloze aanvaringen met departementen zijn daarvan de bewijzen. In 1991 was de benoeming van de VVD-politicus Koning tot president van het college niet onomstreden. De door toenmalig minister-president Lubbers geëntameerde benoeming van Koning werd door velen bij de Rekenkamer beschouwd als een poging het instituut enigszins te temmen. Dat is in elk geval niet gelukt. De Rekenkamer heeft de afgelopen jaren als onafhankelijk controleur slechts aan gezag gewonnen. Dat gezag blijft en kan nog verder uitgroeien als de Rekenkamer ook zeer duidelijk de eigen grenzen in acht neemt.