`Jachtgeweer': drie monologen van drie vrouwen

Zo verstild en ingehouden, zonder dialoog of conflict, zie ik het zelden in toneel. Drie actrices, drie tot de toeschouwer gerichte monologen – en hiermee is al veel gezegd over de speelstijl van Het Jachtgeweer (1949) van de in Nederland onbekende Japanse auteur Yasushi Inouë. Aan de voorstelling ligt een novelle ten grondslag, zoals regisseur Ger Thijs al eerder een novelle van Henry James, Het, voor het theater bewerkte.

Het gegeven is mooi en poëtisch. Een dichter wordt geraakt door het beeld van een eenzame jager, aan wie hij een gedicht wijdt. Na plaatsing in een literair tijdschrift ontvangt de dichter een brief: de jager las zijn gedicht en is hierdoor even vereerd als onthutst. Hoe kan aan hem, een man van zoveel slechtheid, een gedicht worden opgedragen? De slotregels zijn veelzeggend: ,,Het glimmende jachtgeweer/ drukt zijn gewicht diep in ziel en lichaam/ van de eenzame middelbare man,/ straalt een vreemde strenge schoonheid uit/ die niet verschijnt als het wapen op levenden gericht is.''

En dat laatste is wat een jager wél doet, het geweer op levenden richten. In zowel novelle als voorstelling zijn de levenden niet zozeer jachtbuit, maar drie vrouwen: zijn echtgenote, dochter en minnares. Eigenlijk toch een soort weerloze jachtbuit. Saillant detail is dat dochter Shoko de minnares van de jager als moeder heeft.

De actrices bevinden zich in een Japans ingerichte, sobere slaapkamer. Hier is de echtgenote, gespeeld door Antoinette Jelgersman, overleden. Bodil de la Parra als dochter Shoko komt, vlak na haar dood, tot de ontdekking dat zij een andere moeder heeft dan ze altijd dacht. Zij is een kind uit een geheime verbintenis. Haar moeder Saiko, vertolkt door Geert de Jong, zag ze nooit. Het thema herinnert aan Leedvermaak van Judith Herzberg, waarin onderduikmoeders de rol van echte moeder gaan overnemen.

De vrouwen tonen in hun alleenspraak tot de man vooral verwarring en opstandigheid. De man heeft hun levens verwoest, zo ingrijpend dat de maîtresse aan het slot zelfmoord pleegt. Geert de Jong ziet zich in de laatste, grote monoloog geconfronteerd met de vraag ,,of het belangrijker is te beminnen of bemind te worden''. Zij zit aan een lage tafel waarop brieven liggen, de openhartige maar nooit verzonden brieven van de vrouwen aan de man. Er heerst de intimiteit van een boudoir. In langzame zinnen, gespannen en met beheerste kalmte gezegd, blikt De Jong terug op haar liefdesleven met de jager, de afwezige man van het leven van hen drieën. Compassie en ook wrok beheersen haar. Ze waren via de man met elkaar verbonden. Zijn handelwijze creëert zowel leegte als lotsverbondenheid.

Toch hebben de vrouwen in het spel niets met elkaar. Bodil de la Parra opent de voorstelling. Zij heeft de moeilijke taak, staand, kwetsbaar articulerend, de toeschouwer met haar onverwachte monoloog te boeien en het verhaal binnen te leiden. Dat lukt gedeeltelijk, en ik denk dat de regie hieraan debet is. De eis is hoog, de vorm te ontoegankelijk. Tijdens haar verhaal luisteren de twee anderen roerloos toe, totdat zij het woord nemen. Ik herinner me een ander Japans stuk met vergelijkbaar onderwerp, Madame de Sade van Mishima. Ook vrouwen die rondom die ene man, Markies de Sade, cirkelen. Maar zij gaan de strijd met elkaar aan.

Elk van de monologen is prachtig van taal, lyrisch, suggestief, en de actrices geven de taal ruimte en klank. Maar ik ontbeerde wat toch wezenlijk is voor toneel; beweging, doorbreking van het statische en ook hoe de drie vrouwen zich tot elkaar verhouden. Tussen hen wordt niet eens een blik gewisseld, ze bestaan slechts voor elkaar als onbekende, als schim. De vorm is rigide en consequent, maar ik had toch graag meer leven en Schwung gezien.

Voorstelling: Het Jachtgeweer van Yasushi Inouë door Het Nationale Toneel. Vertaling en regie: Ger Thijs. Spelers: Bodil de la Parra, Antoinette Jelgersma en Geert de Jong. Gezien 18/3 Theater aan het Spui, Den Haag. Te zien t/m 27/3 aldaar. Tournee t/m 15/4. Inl. (070) 318 14 44.