In wanhoop en afwas

Bij het schrijven van een liefdesbrief ontdekte Pam Emmerik de overeenkomst tussen Magritte's schilderijen en Joseph Brodski's poëzie.

Allerliefst zou ik hard als steen zijn, wenste ik. Niet om zonder hartzeer mensen te beduvelen, maar om kalm en standvastig door het leven te kunnen gaan. Een verlangen naar onbewogenheid, standbeeldgelijk.

Verstening is een van de thema's waarmee Magritte zich jarenlang heeft beziggehouden. Hij schilderde een stenen colbertjasje, versteende roofvogels die één geworden zijn met hoge rotsen, een stenen vis op een rots die als sokkel dient, een stenen appel aan zee. Een versteend stilleven dat Reisherinneringen heet. Een schilderij van een stenen kamer met een stenen leeuw, man, schilderij, tafel kandelaar fruitschaal lambrizering er in, dat ook Reisherinneringen heet. Nog een doek dat Reisherinneringen heet en een kamer toont waarin een tafel voor opengeslagen luiken staat, buiten is een rotslandschap te zien, op tafel staat een stilleven van fles, beker, fruitschaal, boek. En steen, steen, steen, alles is alsmaar van steen. Niemand zal Magritte ervan kunnen beschuldigen dat hij zijn ideeën niet grondig uitwerkte.

Waarom toch steeds weer die titel, Reisherinneringen? Een reis is juist beweging, staat herinnering dan voor stilstand? Van Magritte is bekend dat hij groot belang hechtte aan de titels die schilderijen kregen. Vaak nodigde hij een aantal vrienden bij zich thuis uit om daarover te discussiëren, terwijl Madame Magritte voor lekkere hapjes zorgde. Hij nam de suggesties van zijn vrienden zonder gemoedsproblemen over, aangezien hij vond dat genie het besef was `dat je zojuist een schitterend idee had gehad of dat een ander er net een had gekregen.' Titels dienden niet om het werk te verklaren. In plaats daarvan, zei hij, moesten ze 'verrassen en betoveren, poëtisch zijn'.

De telefoon ging. Iemand vroeg me of ik voor vijfhonderd piek een liefdesbrief aan een romanpersonage wilde schrijven. Ik zei ja en wilde meteen geen steen meer zijn. Maar beter ook besefte ik later, want zelfs als kalme koele steen kon je nog gruwelijk misbruikt worden. Om overspelige echtgenotes in Pakistan te stenigen, bijvoorbeeld.

Ik had nog nooit een liefdesbrief geschreven. Ooit heb ik wel iemand een tekening van een Sinterklaas met geamputeerde ledematen gestuurd, die bedoeld was als liefdesbrief. Helaas zijn er maar weinig mensen die zoiets op prijs stellen. Zij begrijpen waarschijnlijk niet dat het mooie in het afstotende zoeken een vorm van mentale alchemie is. Want door het omzetten van het lelijke, smerige, afstotende, bizarre in iets glanzends stofzuigt je geest de wereld. Die blijft dan stukjes schoner achter. Tonen wat vies en voos is, is dus eigenlijk millieudefensie.

Ik schreef geen liefdesbrieven en ik fantaseerde nimmer over romanfiguren. Slechts zelden over schrijvers, schilders, pop- of filmsterren. Eén keer over Bruce Springsteen: dat een limousine heel langzaam door de Marnixstraat reed -de deprimerendste straat van Amsterdam- terwijl ik met mijn hondje over het trottoir liep. De auto stopte. Het achterraampje werd omlaaggedraaid. En het was Bruce. Hij zei hi en ik zei hoi terug. Daarna vroeg hij of hij mijn hondje kon kopen, voor veel geld. Ik weigerde. Hij glimlachte en zei dat hij het begreep. Niet alles is te koop (hoewel iemand die net de Gouden Gids heeft gelezen wellicht een andere mening is toegedaan). We wensten elkaar een goede avond. Als titel voor deze korte sympathieke fantasie overwoog ik Reisherinneringen.

Ik kon geen romanpersonage bedenken dat ik mijn liefde wilde bekennen. Als afleidingsstrategie staarde ik naar het plafond, de vloer, de muren, (mooi plafond, mooie vloer, mooie muren ook). Ik kon nog geen romanpersonage bedenken aan wie ik mijn liefde wilde bekennen. Toen viel me een dichtregel van Joseph Brodski in. Ik herlas zijn Wiegelied van Cape Cod, een lang gedicht dat uit twaalf delen bestaat. `Het oostelijk uiteinde van het Rijk zinkt de nacht in. Cicaden/ verstommen in het gras van plantsoenen. Klassieke citaten/ op frontons zijn niet meer te lezen. De spits van een kerktoren/ vervaagt laks, als een fles die je op tafel achterlaat./ In een surveillancewagen, glimmend in een verlaten straat,/ zijn de toetsen van Ray Charles te horen. Meteen was ik in Amerika. (..) Drukkend warm. Een verkeerslicht geeft in de kamer doortocht/ aan het oog, op weg naar 't kastje met de whisky. Het hart stokt/ voor een ogenblik, maar blijft kloppen: het bloed, door de arteriën dwalend, nadert het kruispunt met hernieuwde vaart./ het lichaam lijkt op een opgerolde wegenkaart,/ en een wenkbrauw trekt op in het noorden.'

De hoofdpersoon, een naamloze afsplitsing van Brodski zelf, verhaalt over de reis die hij gemaakt heeft van Rusland naar Amerika. Een wereldreis. Omdat hij alleen was en op bed lag na te denken en te wachten tot een kabeljauw aanklopte ('De deur piept. Op de drempel een kabeljauw./ Hij vraagt te drinken, natuurlijk, in Godsnaam./ Je kunt niet weigeren, blijft je principes trouw.') besloot ik hem een liefdesbrief te schrijven.

Joseph Brodski werd in 1940 in het toenmalige Leningrad geboren uit Russisch-joodse ouders. Vierentwintig jaar later werd hij veroordeeld tot vijf jaar dwangarbeid omdat hij, zonder werk of officiële literaire erkenning, aangemerkt werd als parasiet. Na veel protesten werd hij een jaar later vrijgelaten. In 1972 kreeg hij van de autoriteiten het `dringend advies' om te emigreren, weigerde hij dan zou een nieuw proces volgen. Brodski vertrok naar Amerika. Hij liet zijn ouders, een vriendin en zoon achter. Hij zou zijn ouders niet meer zien. Zo'n biografie leest als een pak slaag. Kees Verheul merkt in zijn nawoord in de bundel De herfstkreet van de havik waarin Wiegelied van Cape Cod is opgenomen, op dat het Brodski's ambitie was een belangrijk dichter te zijn ondanks zijn heftige biografie, niet dankzij. Groot ondanks het pak slaag, niet dankzij....

In het essay Anderhalve Kamer beschrijft Brodski zijn jeugd, het leven van zijn ouders. Hij realiseert zich dat hij bijna niets van hen weet. Hij kan het niet meer vragen. `Ik weet niet en zal ook nooit weten hoe ze zich tijdens die laatste jaren van hun leven voelden. Hoe vaak ze in angst zaten, hoe vaak ze zich gereed voelden om dood te gaan, hoe ze weer hoop kregen dat we opnieuw met ons drieën bij elkaar zouden komen. ,,Jongen,'' zei mijn moeder vaak door de telefoon, ,,Het enige dat ik van het leven verlang is jou weer te zien. Dat is het enige dat mij op de been houdt.'' En een minuut later: ,,Wat deed je vijf minuten geleden, voordat je belde?'' ,,Om precies te zijn, ik was aan het afwassen.'' ,,Nou, dat is uitstekend. Dat is heel goed om te doen, afwassen. Soms is het vreselijk therapeutisch''.'

Poëzie kan evenzeer in afwas als in wanhoop zitten.

Ik schreef de Man Zonder Naam over alles dat me bezighield. In het kader van millieudefensie schreef ik over een documentaire die ik op tv had gezien over een porno-vakantie in Mexico. Een echte `doe-vakantie', dus: `je kon meespelen in pornofilms en beroemde pornoacteurs neukten bijkans naast je strandstoel. Een van de organisatoren vertelde smakelijk over een bevroren banaan-wedstrijd, waarbij het er om ging dat vrouwen een banaan zo diep mogelijk in hun keel staken, fellatio-simulatie dus, ze hadden dolle pret gehad, zei hij. Na het uitkomen van de film Deep throat steeg het aantal gevallen van bijna-verstikking en beschadigde vrouwenstrottenhoofden op de eerste hulp van ziekenhuizen dramatisch, maar een bevroren banaan werkt bij kneuzingen natuurlijk ter plaatse verkoelend, het is een zwelling inzetten tegen zwelling. Homeopathisch-ingenieus bedacht.' Ik schreef erbij dat ik zelf niet van koude dingen hield. `Als je nu denkt dan leg ik mijn lul maar niet in het vriesvak ben je wel een vent voor mij' voegde ik er voor de grap aan toe.

Ik schreef, serieuzer nu, over isolement, over verbeeldingskracht, die niemand kan doen verpulveren en het vermoeden dat ik koesterde dat taal mijn eerste lichaam was, soepeler bewegend dan mijn eigen lichaam en wat voor duivels geschenk dat was omdat het me verzoende met het leven en me er tevens van weghield.

Ik schreef ook eerlijk dat ik de kans dat het wat tussen hem en mij zou kunnen worden gering achtte: `Ik heb je schrijver op tv gezien. Een slechtgekleed, kortaangebonden mannetje. Ze zeiden dat hij – voor zijn dood natuurlijk – zo mooi voorlas. Hij reciteerde als een cirkelzaag, veroorzaakte bijna een bloedbad onder zijn luisteraars. Heeft hij jou soms zijn bleke huid meegegeven? Zijn korzeligheid?'

Ik had Joseph Brodski gezien in een Vpro-programma waar hij met een aantal andere schrijvers en wetenschappers praatte. Ze zeiden allemaal van die ingedikt-intelligente dingen. Het leek wel geheimtaal waarvan de code niet bekend gemaakt werd. Ik kreeg het er benauwd van en zette de tv uit. Maar in de tijd die volgde bleven de dichtregels die Brodski had voorgedragen alsmaar rondzoemen in mijn hoofd. Ik wilde niet, maar moest. Lezen, die vent.

Soms word je overgehaald om kunst te gaan waarderen die je eerst, om welke reden dan ook, afkeer inboezemde. Je afweer wordt op een geheimzinnige manier beetje bij beetje afgebroken. En dan vind je jezelf opeens terug aan de andere kant: die van de bewonderaars, liefhebbers. Dat is het mooie van kunstliefde, dat ze je voortdurend je standpunten doet her-ijken. Het meest uitgesproken is dat natuurlijk bij moderne kunst, kunst die vers is en nog geen plek in de kunstgeschiedenis veroverd heeft. Daarom ook vaak zoveel irritatie oproept.

De omgekeerde beweging maken, van bewondering naar irritatie, kan ook. Het overkwam me bij Magritte. Jarenlang goed gevonden, nu flink gekelderd. Zijn werk gaat nadrukkelijk over de tegenstelling hoe we de wereld buiten onszelf zien terwijl ze toch slechts een voorstelling binnen in ons is, een afbeelding. Die nadruk gaat op den duur tegenstaan. Zijn schilderijen lijken wel gemaakt voor dyslectische intellectuelen.

En dan die poëtische titels. Een schilderij van een rechtopstaande vis voor een muur, op de achtergrond een wolkenlucht. Titel: Op zoek naar de waarheid. Organische, zwart en rood beaderde vormen tegen een dreigende achtergrond met gaten. Titel: Het bloed van de wereld.

Magrittes titels, of die van zijn vrienden, zijn bedenksels die diepzinnigheid moeten suggereren. Maar dat is geen poëzie, dat is opgelegd pandoer. Poëzie is niet iets dat je naar believen kunt toevoegen aan de dingen.

Eigenaardig toch ook dat Magritte, die zoveel aandacht had voor het oppervlak, de textuur van dingen, die bij het maken van zijn schilderijen buiten beschouwing hield; zijn doeken zijn glad, levenloos geschilderd. Net als het werk van Carel Willink overigens, dat Brodski zozeer bewonderde dat hij er een gedicht aan wijdde. In Willinks dreigende wolkenluchten zag hij de wolkenluchten van zijn jeugd in Leningrad terug. Herkenbare kunst ligt wel vaker goed bij literaire types, het lijkt alsof ze de vertaalslag naar beeldende kunst maar moeizaam kunnen maken.

Willink schildert eigenlijk geen wolkenluchten, hij beschrijft ze in verf. (Zijn verf vreet de wolken niet op, zoals bij een schilder als Turner wel gebeurt). Het geeft zijn doeken, net als die van Magritte, een kilheid die uitgaat boven de dreiging en kilte die in de voorstelling gesuggereerd worden. Ik kan er niet van houden. (Of toch, ooit, eens, wellicht?). Mogelijk.

De reden voor het samenbrengen van Magritte en Brodski in dit ene artikel was oorspronkelijk gelegen in één citaat en één schilderij. Op het schilderij staat een jonge naakte vrouw met haar hand in haar zij afgebeeld. Ze kijkt droevig, een beetje betekenisloos. Op een aantal plekken vertoont haar huid houtnerven. Ze verhout. De titel van het schilderij is: Ontdekking.

Het citaat, uit Wiegelied van Cape Cod: `Alleen-zijn leert je het wezen der dingen, want hun wezen/ is alleen-zijn. De huid is dankbaar voor de onvolprezen/ koelte van een lederen fauteuil. Een eikenhouten glans/ valt over botjes van gewrichten. Een arm verhout ergens/ ver weg op een leuning. Tikkende hersens,/ als ijsblokjes tegen de rand van je glas.'

Op zoek naar poëzie begin je met een citaat, een schilderij en een brief die niet geschreven wilde worden. Je eindigt met bevroren bananen (overal) een onbetaalbaar hondje thuis, een waaier van persoonlijke gegevens, de troost van poëzie in de aanwezigheid van dingen en meer geld dan voorheen.

Met dank aan Maria van Daalen, festival Winterschrift, Groningen

vertalingen J. Brodski van Kees Verheul/Peter Zeeman