Ik ben niet zo'n bijter

DURBAN/KAAPSTAD/JOHANNESBURG. Iedere dag, zo vlak voor lunchtijd, verscheen de Duitse televisiester Harald Juhnke aan de rand van het zwembad. Altijd gekleed in een blauw colbertje. Eerst bleef hij even staan, dan deed hij een paar schuchtere stappen over het grasveld, alsof hij iemand zocht.

Aan de andere kant van het zwembad vermaakte Juhnke's vrouw zich met zijn bodyguards. Een van de bodyguards had een hondje bij zich. Een heel klein hondje. Iedereen was dol op dat hondje.

Het Mount Nelson Hotel in Kaapstad heeft twee zwembaden, een rustig zwembad en een druk zwembad. Iedere ochtend na het ontbijt gingen wij met zwemspullen onder onze kleren aan naar het rustige zwembad. Bediendes spreidden paarse handdoeken uit over onze blauwe ligstoelen, parasols werden in de gewenste richting geschoven. Iedere ochtend nam ik mij voor te zeggen dat het zo niet met ons verder ging. Het schrijversfestival in Durban was weer voorbij. Ik had alles bij elkaar een half uurtje voorgelezen en een kwartiertje meegedaan aan een discussie op een podium. Een chroniqueur van vastgelopen levens, had ik mijzelf genoemd. Onverwachts, dankzij wat gin-tonic, toch nog spraakzaam geworden.

,,Aan te intelligente mensen die hun eigen geluk organiseren'', had ik gezegd, ,,heb je in de literatuur niets. Als personage dan. Die bewegen te veel kanten uit, die zijn te vloeiend, te weinig gestold. Hoe vastgelopener hoe beter.''

De presentator was schrijver en recensent. Een ondankbare combinatie. Vooraf had hij gezegd: ,,Laten we het licht houden.'' Nou, licht hebben we het gehouden.

Soms, als de wind uit het oosten kwam, bereikten ons geluiden van de tennisbaan, daar aan de rand van het rustige zwembad.

,,Zullen we hier blijven of zullen we naar het terras gaan om te lunchen'', stelde ik voor als ik de geluiden van de tennisbaan hoorde. Iedere dag besloten we dat het maar het beste was aan de rand van het zwembad te lunchen. Tegen vieren verscheen Harald Juhnke in een witte ochtendjas en dan besefte ik dat de dag alweer bijna afgelopen was en dat ik weer niet had gezegd wat ik had moeten zeggen. Onze kamer in het Mount Nelson kostte 1.200 gulden per dag, ontbijt niet inbegrepen. Aan het begin van de oprijlaan stond een man met een tropenhelm op, maar als je eenmaal binnen was kwam je nog veel mannetjes met tropenhelmen op tegen.

Moest je je eigen leven niet een beetje laten vastlopen om over vastgelopen levens te schrijven of zou dat meteen weer op gebrek aan fantasie duiden?

,,Dat jij nog een week naar het Mount Nelson gaat'', had de organisator van het festival gezegd. ,,Ongelooflijk.''

Mijn verblijf in het Mount Nelson maakte meer indruk op hem dan alles wat ik geschreven had. Ik sluit niet uit dat dat iets zegt over de kwaliteit van mijn schrijven, maar misschien zegt het ook iets over de organisator. Dat laatste hoop ik maar een beetje. Tegen beter weten in. ,,Als je over me gaat schrijven'', had de organisator gevraagd, ,,krijg ik dan wel een kopietje?''

Terwijl ik nog zo had gezegd dat ik over vastgelopen levens schreef. Of dachten ze soms dat je vastgelopen leven uit de modder werd getrokken als er over geschreven werd?

We waren die dag met zes van de vijftien schrijvers naar een safaripark gegaan en hadden zebra's en bizons bekeken en ook nog wat struisvogels.

Tussen de zebra's had ik gezegd: ,,Laten we geen seks meer hebben, want zo komen we nooit van elkaar af.'' Maar toen had een Franse schrijfster zich in het gesprek gemengd door te vragen wat mijn mening nu was over Zuid-Afrika. Ik was een beetje moe van alle blanke Zuid-Afrikanen die ik sprak en die zo heldhaftig tegen de apartheid hadden gevochten. Niemand was voor de apartheid geweest. Soms leken ze het alleen jammer te vinden dat er geen apartheid meer was waartegen heldhaftig gevochten kon worden. Hoewel, dat laatste was een illusie. Aan de rand van het zwembad in het Mount Nelson lagen uitsluitend blanken die bediend werden door zwarten en kleurlingen. Afschaffen en verdwijnen zijn twee heel verschillende dingen. Ik keek naar Harald Juhnke die nu in zijn ochtendjas onder een parasol een krant las en zei: ,,Zullen we nog eens tenniskleding gaan huren?''

Ik had bedacht dat we moesten gaan tennissen om zo minder seks te hebben om op die manier van elkaar af te komen. Hoe meer we erover praatten dat we minder seks moesten hebben, hoe meer seks we hadden. Soms kwam het zelfs voor dat we gehuurde tenniskleding aantrokken om die binnen twee minuten weer uit te trekken. Ook de gehuurde tennisrackets bleven ongebruikt in de vestibule staan.

Iedere middag als ik weer naar de portier ging om een baan te reserveren en tenniskleding te huren dacht ik aan overleden familieleden, maar ook aan familieleden die nog leefden. En aan vastgelopen levens en of het organiseren van je eigen geluk echt een kwestie van intelligentie was. En of veel liegen op fantasie duidt. En als niemand weet dat iets een leugen is, is het dan nog wel een leugen? Bestaan er leugens die langzaam waar worden, heel onopgemerkt?

Later, toen we weer terug waren van het safaripark, zei de Franse schrijfster, Pierrette, opeens: ,,Ik voel me zo nutteloos.''

Ze wreef met een zakdoekje over haar hoofd. De vochtige hitte in Durban viel niet mee.

,,Het is toch niet erg nutteloos te zijn'', stelde ik voor. ,,We zijn toch allemaal nutteloos in meer of mindere mate. Dat is eigenlijk heel geruststellend.''

,,Zij is niet nutteloos'', zei Pierrette.

Ze wees op Tsitsi, een andere schrijfster, die niet alleen schreef, maar ook nog een revolutie wilde veroorzaken. Als ik al een revolutie wilde veroorzaken, dan de revolutie van nutteloosheid.

,,Daar gaat Juhnke weer'', zei ik, ,,wat doet hij de hele dag?'' En meteen er achteraan: ,,Ze hebben hier ingezien dat de apartheid niet werkt, laten we nu inzien dat wij niet werken. We eten, we hebben seks, tussendoor maken we elkaar jaloers, daar kan je geen leven mee doorgaan.''

,,Waarom niet?''

Ik nam een slok van mijn cider. En ondertekende weer een bonnetje, zonder al te veel op het bedrag te letten. Er klonken ook weer kreten van tennissende mensen. Ik zei alleen: ,,Laten we gaan zwemmen, voor we weer dronken zijn.'' Geluk is nog angstaanjagender dan de dood. Daarom moet het ook kapot. Misschien ook omdat je weet dat de mest waarmee je je geluk voedt het sap is dat uit de mensen druipt die je opzij hebt geschoven, omdat je dacht dat ze je geluk in de weg stonden. Tot er niemand meer over is om mee te schuiven, dan kan je nog met woorden schuiven en met hoeren en met jezelf.

Op het vliegveld van Johannesburg namen we afscheid.

,,We hebben nog twee uur'', zei ik, ,,zullen we nog een hotelkamer nemen?''

We namen een kamer in het Holiday Inn op het vliegveld van Johannesburg. Met Zuid-Afrikaanse champagne.

Er kwam niet eens gehuurde tenniskleding aan te pas. Ik beet in haar schouder. Harder dan ik had gewild. Ik bijt eigenlijk ook nooit. Ik ben niet zo'n bijter.

,,Sorry'', zei ik, ,,sorry.''

,,Geef niet. Vind je me mooi?''

Ik hoefde alleen mijn ogen dicht te doen om het zwembad van het Mount Nelson weer te zien en me te herinneren dat ik ook nu niet had gezegd wat ik had moeten zeggen. Er viel eigenlijk ook niets meer te zeggen. De hitte van Zuid-Afrika was er, mijn zweet, de champagne die plakte op mijn buik omdat ik geknoeid had. En Harald Juhnke, die was er ook.

Pas toen ik alleen op de wc zat mompelde ik: ,,Het zijn allemaal leugens, dat weet je toch? Veel leugens dat betekent veel fantasie. En veel fantasie dat is wat een romanschrijver nodig heeft. Niet?''