Iedereen kiest zijn eigen rimboe

First things first: de middelste driehonderd pagina's van dit nieuwe, ambitieuze boek van Barbara Kingsolver vormen op zichzelf een uiterst boeiende roman, een tour de force die definitief bewijst dat deze wat eigenzinnige schrijfster haar plaats verdient als publiekslieveling in de contemporaine Amerikaanse literatuur. Maar er is een probleem met dit boek. En dat is dat Kingsolver heeft verkozen er nog 250 pagina's omheen te schrijven, daarmee bewust kiezend voor een ander, goed in de markt liggend genre: een familieroman over de band tussen moeders en dochters.

De eerste honderd pagina's laten zich lezen als de beruchte rijstebrijberg waar je doorheen moet, graag of niet. Een Amerikaans gezin bestaande uit de verbeten evangelist Nathan Price, zijn vrouw en vier dochters, verlaat de vertrouwde omgeving van de staat Georgia om in 1959 in Kilanga, (toen nog Belgisch) Kongo, het geloof te verspreiden. Voorbereiding, aankomst en eerste indrukken worden minutieus vanuit het perspectief van de vijf vrouwen beschreven, om beurten, zo minutieus en met zoveel overlappingen dat de verveling toeslaat nog voordat het verhaal goed op gang is gekomen. Maar Barbara Kingsolver weet heel goed wat ze doet. Pas als je het boek uithebt blijkt deze lange aanloop niet toevallig, maar onderdeel van een grand design van de auteur.

The Poisonwood Bible heeft in Nathan Price een mannelijke hoofdpersoon die nimmer aan het woord komt maar die wel een zo onontkoombare aanwezigheid vormt dat het leven van de vijf vrouwelijke hoofdpersonen erdoor wordt getekend. Nathan is een verblinde godsdienstfanaat; intolerant, rechtlijnig, etnocentrisch - het zijn allemaal te zwakke termen om de man te schetsen die midden in zijn zelfgekozen rimboe tijdens een preek zijn aspirant-discipelen toeroept `Tata Jesus is bangala!'

Wat hij dénkt dat hij roept is dat Vadertje Jezus dierbaar is. Wat hij in werkelijkheid roept, tengevolge van een verkeerde klemtoon, is dat Jezus de poisonwood tree is, een gevreesde en zeer giftige boom die in de jungle groeit en die de schrik is van elke dorpsbewoner. Geen wonder dat het niets wordt tussen hem en de Congolozen. Vader Nathan zal, argeloos als hij is, vreselijk door deze boom te grazen genomen worden - en dat is nog maar een zwak voorproefje van het uiteindelijke lot dat hem te wachten staat.

Maar dat horen we pas veel later, en uit de mond van één van zijn vier dochters die beurtelings het verhaal dragen. Allereerst Rachel de oudste, te laat uit VS vertrokken om zich niet al de typerende materialistische Amerikaanse tienertrekjes eigen gemaakt te hebben. Leah, die het meest `trouw' vertoont in alle opzichten: in eerste instantie trouw aan het geloof van haar vader, in tweede instantie aan Afrika, lang nadat het grote drama van dit boek zich heeft voltrokken. Haar tweelingzuster Adah, Emily Dickinson-adept en geboren met een halfzijdige verlamming die haar een zonderlinge status verleent, die ze cultiveert door niet te praten en dwangmatig in palindromen te schrijven. En ten slotte Ruth May de jongste, te argeloos om nog veel te beseffen en uiteindelijk (misschien wel uiteraard) het slachtoffer van de beet van de zwarte mamba die door wraakzuchtige dorpsgenoten naast het huis van de familie wordt achtergelaten.

De falende missie van Nathan Price krijgt een historische dimensie die Kingsolver op diverse bekwame manieren door de vertelling weet te weven: dit is de periode immers waarin de Belgen het veld ruimen (in bestuurlijke zin althans) en Patrice Lumumba de eerste postkoloniale heerser wordt. Als dat gebeurd is krijgt het gezin-Price het ernstige advies de missiepost te ontruimen, maar Nathan weigert, met een beroep op zijn religieuze roeping. Het is hier dat het hindsight-relaas van moeder Orleanna het helderst reliëf geeft aan dit boek, in haar beschrijving van hoe haar echtgenoot als Tweede-Wereldoorlogsoldaat op dubieuze wijze als enige van zijn compagnie aan een slachtpartij op de Filippijnen wist te ontkomen. Weglopen zal hij geen tweede keer, kortom, of zijn kinderen dat nu met de dood moeten bekopen of niet.

De ware climax van het boek volgt als Ruth May is gestorven en moeder Orleanna en Adah op miraculeuze wijze uit het land weten te ontsnappen. Het boek zou kort erna afgerond kunnen worden, maar Kingsolver besloot haar relaas uit te spinnen met nog hondervijftig pagina's over Hoe het Moeder en de Overlevende Zusters verder vergaat in het Leven, decennia lang. Dat leidt tot nogal wat karikaturen, vooral waar het Rachel betreft, maar vooral tot een overdaad aan antropologie en Amerikaans politiek schuldbesef, twee factoren die nog nooit op goede voet hebben gestaan met interessante literatuur. Het zal voor menig Amerikaans lezer als een schok komen, hoezeer Eisenhower en de CIA betrokken waren bij de moord op Lumumba en de roof van de mineralen, al dan niet met medeweten van Mobutu. Maar interessante literatuur vormt het niet.

Zo is The Poisonwood Bible een boek geworden met een waterhoofd en een veel te lange staart. De middelste driehonderd pagina's vormen een bij tijden magistrale roman, waarin de horreur, de ondoordringbaarheid van Afrika tot in gruwelijk detail wordt opgeroepen. Vooral de beschrijvingen van de dodelijke mierenplaag en de manier waarop het wild door middel van een aangestoken vuur in de armen van de hongerige bevolking wordt gejaagd (`de verbrande, knokige lichamen van een moeder baviaan en haar baby, aan elkaar vast geschroeid') zal ik niet licht vergeten.

The Poisonwood Bible is binnen het oeuvre van Barbara Kingsolver een pretentieuze maar ook exotische stap buiten de deur. De schrijfster lokaliseerde haar fictie tot nu toe bij voorkeur in de omgeving waar zij woont (Tucson, Arizona), maar bouwde voor deze roman voort op haar jeugdherinneringen als dochter van een Amerikaans echtpaar van public health-werkers in Afrika. Wat de kanttekeningen ook mogen zijn: ze kan dit óók en ze zet zichzelf ermee neer als een auteur om rekening mee te houden.

Barbara Kingsolver: The Poisonwood Bible. HarperFlamingo, 539 blz. ƒ65,55. Een Nederlandse vertaling verschijnt in augustus bij Prometheus.