Gezeur in Gouden Eeuw

De autobiografie van Hermanus Verbeeck (1621-1681) bestaat uit een slaapverwekkende opsomming van alle mogelijke tegenslag die een mens overkomen kan. En dat alles op rijm. Van zadelpijn en een zwerende vinger tot zware koortsen, miskramen en het verlies van vijf van de acht kinderen. In de zeventiende eeuw ligt de dood steeds op de loer en Hermanus is bijna altijd ziek. Maar ook andere rampen ontnemen hem zijn levensgeluk. Zijn huis op de Oude Waal in Amsterdam overstroomt keer op keer, hij valt van trapjes, dreigt schipbreuk te lijden op zijn bedevaart, wordt bestolen en zakelijk volgt tegenslag op tegenslag. Ook de mensen zijn tegen hem. Zijn familie, die het voor de wind gaat, behandelt hem als een mislukkeling, roddelt over zijn vrouw, die van mindere komaf zou zijn, en komt hem en zijn gezin slechts in de grootse nood en met tegenzin te hulp. Hermanus voelt zich ondergewaardeerd en gekrenkt in zijn trots. Het is God zelf die hem, net als Job op de mestvaalt, op de proef stelt. Lijden is zijn missie.

Zesduizend regels zelfbeklag van een beroerde dichter. De inhoud is met geweld in de maat van de alexandrijnen geprakt en om maar te rijmen zijn de bewoordingen omslachtig en worden sommige passages onbegrijpelijk. De inleiding van Jeroen Blaak is weliswaar interessant maar de annotatie van het Memoriaal is zelden verhelderend. Wie wil dat lezen? Toch is het de moeite waard. De autobiografie is in de zeventiende eeuw nog een zeldzaam genre, en al helemaal van de hand van een gewone ambachtsman.

Hermanus Verbeeck wordt in Amsterdam geboren als zoon van een bontwerker. Zijn broer maakt carrière in de handel en zijn zuster doet een goed huwelijk. Maar Hermanus voert een verbeten strijd om niet in armoede te vervallen en zijn eer als keurig burger te behouden. Na een leertijd bij zijn vader en een bontwerker in Frankrijk neemt hij de winkel van zijn vader over, waarmee het echter al snel bergafwaarts gaat. Als hij de zaak heeft verkocht probeert hij nog aan de kost te komen als boekhouder, klerk en makelaar op de koopmansbeurs. Zijn vrouw heeft een kruidenierswinkel die ook nooit goed loopt. Steeds als hij ziek is en weer werkloos, moeten er strategieën worden bedacht om het inkomen enigszins op peil te houden. Ze gaan goedkoper wonen of trekken bij familie in, het huis wordt onderverhuurd, zijn vrouw probeert wat bij te verdienen met naaiwerk, Hermanus krijgt een uitkering van het makelaarsgilde, sieraden worden beleend, ze gaan op bedevaart en doen een beroep op alle mogelijke connecties om weer aan werk of leningen te komen.

Vorm was belangrijk in de zeventiende-eeuwse literatuur. Thema's, compositie, rijm en metrum werden liefst ontleend aan de klassieken. Hermanus is ook een blauwe maandag naar de Latijnse school gegaan maar als dichter is hij een amateur gebleven. Juist in zijn onbeholpenheid geeft hij zich bloot. Elk van de vijf delen van het Memoriaal begint met hetzelfde citaat uit het boek Job: `het leven van de mens op aarde is een strijd'.

In zijn poging zijn levensverhaal integraal als een beproeving voor te stellen worden momenten van geluk alleen aangehaald in het kader van hun kortstondigheid. In de categorie pech daarentegen haalt Hermanus werkelijk alles uit de kast. De beproevingen die God hem stuurt zijn verre van abstract. De kleinste verkoudheid vormt onderdeel van het ondoorgrondelijke plan dat God met hem heeft. De volhardende lezer vindt zo een zeldzaam inkijkje in het leven van een gewone man.

Jeroen Blaak (red.): Hermanus Verbeeck (1621-1681). Memoriaal ofte mijn levensraijsinghe. Verloren (Egodocumenten 16), 232 blz. ƒ45,–