Feyenoordstad

Amsterdam of Rotterdam. Voor deze aloude keuze staat de staatssecretaris voor cultuur R. van der Ploeg bij de vestiging van het op te richten `Instituut voor de Beeldcultuur'. Begin deze week presenteerden beide rivaliserende steden hun plannen voor zo'n instituut. Rotterdam, waar nu al het Nederlands Foto Instituut (NFI) en het Nederlands Filmarchief (NFa) zijn gevestigd, wil 72 miljoen gulden investeren in het pakhuis Las Palmas op de Kop de Zuid, Amsterdam wil het kleinere Sweelinckconservatorium aan de Van Baerlestraat verbouwen voor ongeveer 60 miljoen. Rotterdam wil alle nu bestaande instellingen op het gebied van fotografie en film onderbrengen in het pakhuis, Amsterdam wil sowieso een instituut voor beeldcultuur oprichten, ook als het NFI en NFa niet naar Amsterdam willen verhuizen.

De meeste woordvoerders van de betrokken instituten hebben een voorkeur voor het Rotterdamse plan. Dit is duidelijker en beter onderbouwd dan het Amsterdamse, vinden zij. Helemaal ongelijk hebben ze niet: het Amsterdamse plan lijkt inderdaad haastiger en slordiger in elkaar gezet dan het Rotterdamse. Maar over één belangrijk punt zwijgen alle commentatoren: het potentiële publiek voor het op te richten instituut. Vreemd genoeg speelt dit geen enkele rol in de discussie. Het lijkt wel of er een taboe rust op het uitspreken van het algemeen bekende feit dat Rotterdam de kunsten een veel kleiner publiek te bieden heeft dan Amsterdam.

Cultuurspreiding is een oude wens van de rijksoverheid en Rotterdam heeft er het laatste decennium flink van geprofiteerd. Zo kreeg deze stad in de jaren tachtig na een lange strijd tussen Amsterdam en Rotterdam van staatswege het Nederlands Architectuurinstituut toebedeeld. Later volgde het Foto Instituut. Een erg bloeiend bestaan leiden deze instituten niet in Rotterdam. Wie ze wel eens bezoekt, is vrijwel altijd een van de weinigen. Op doordeweekse dagen is de kans groot dat men de enige bezoeker is in het Foto Instituut. En in het grote nieuwe gebouw van het Architectuurinstituut is het doorgaans een stuk minder druk dan vroeger in de Amsterdamse pijpenla van de Stichting Wonen, die is opgegaan in het Architectuurinstituut.

Ook na langdurige cultuurspreiding is er in Rotterdam nog altijd maar een klein kunstpubliek en blijven de tachtig kilometer naar de Feyenoordstad voor Amsterdammers om een of andere duistere maar hardnekkige reden onoverbrugbaar. Als het de bedoeling is dat het Instituut voor de Beeldcultuur een zo groot mogelijk publiek moet trekken, dan moet het zonder twijfel in Amsterdam worden gevestigd.