Een psychiatrische Pyrrusnederlaag

Een kwart eeuw geleden werd het alternatieve zwakzinnigengesticht Dennendal door de politie ontruimd. Een proefschrift toont nu aan dat de rebellen van toen ongemerkt de ideologen van vandaag zijn geworden.

Een van de meest verhitte kwesties uit de gepolariseerde en moreel zwaarbeladen jaren zeventig was de affaire rondom Dennendal. Deze relatief onbekende inrichting voor zwakzinnigen ontwikkelde zich tussen 1971 en 1974 tot nationaal strijdtoneel. Voor behoudende Nederlanders was Dennendal, onderdeel van psychiatrisch ziekenhuis de Willem Arntsz Hoeve, het voorportaal van de hel. Een door hippies geregeerde maatschappelijke enclave met als directeur Carel Muller: psycholoog, antroposoof, dienstweigeraar en sympathisant van de Kabouters. Hij wilde een nieuwe gemeenschap scheppen waarin `pupillen' en verpleegkundigen ongedwongen samenleefden, in harmonie met zichzelf, elkaar en de natuur. Deze `hippies' beperkten zich niet langer tot blowen en door de modder waden op popfestivals, ze waren begonnen aan een machtsovername in de gezondheidszorg. De Telegraaf wekte angstvisioenen op van zwakzinnige meisjes die door hun verplegers werden stoned gevoerd en verleid, onder het toeziend oog van `Raspoetin' Muller.

Voor de Nederlandse tegencultuur daarentegen werd Dennendal, in de bosrijke omgeving van Den Dolder, een waar bedevaartsoord. Langharige jongeren streken er neer op een grasveldje om op gitaren te tokkelen. Voormannen van de psychedelische subcultuur ervoeren op een `solidariteitsbezoek' een `diep gevoel van psychische verbondenheid' met de zwakzinnigen. Hier was de `lieve revolutie' aan de gang die een menselijker samenleving moest brengen.

Na jaren van conflicten tussen de `Mullerianen' en hun critici was zo'n uitzichtloze loopgravenoorlog ontstaan, dat de overheid zich in de zomer van 1974 gedwongen voelde om in te grijpen. Ruim honderd agenten forceerden de deuren van enkele door Muller en de zijnen bezette paviljoens. De zwakzinnigen werden weggevoerd (`gedeporteerd' volgens de Mullerianen, die graag verwezen naar de Tweede Wereldoorlog), de personeelsleden gearresteerd. Furieuze ouders wilden zich op Muller storten. De honderden aanwezige sympathisanten schreeuwden op hun beurt `Befehl ist Befehl' naar de politie.

De ontruiming was extra traumatisch doordat uitgerekend het progressieve kabinet-Den Uyl, de in 1973 aangetreden belichaming van de linkse belofte, ervoor verantwoordelijk was. De avond van de ontruiming verklaarde premier Den Uyl op televisie dat ingrijpen noodzakelijk was geworden, maar dat hij het persoonlijk had ervaren als `een nederlaag'. De Dennendallers vonden dat het kabinet zich had bediend van `ronduit fascistische middelen jegens de meest kwetsbare en weerloze groep van onze bevolking: zwakzinnigen'. Dennendal betekende trouble in het linkse paradijs: een barst in het droombeeld van Nederland als gidsland, waar gelijkheid zou heersen en geen beslissingen meer zouden worden genomen `buiten de mensen om'.

Het mooie en belangwekkende boek van Evelien Tonkens over Dennendal, Het zelfontplooiingsregime. De actualiteit van de jaren zestig, is het tweede boek over de affaire in betrekkelijk korte tijd. Vijf jaar geleden verscheen een gedenkboek van de historici Joost Dankers en Jos van der Linden, Om het geluk van de zwakzinnige. De kritiek op dat boek luidde dat het teveel was gebaseerd op de officiële bronnen. De idealen van de vernieuwers en de dagelijkse gang van zaken op de Dennendalse werkvloer kwamen daardoor niet uit de verf.

Het boek van de politiek en sociaal-cultureel wetenschapper Tonkens, een handelseditie van haar proefschrift, voorziet ruimschoots in die lacunes. In Het zelfontplooiingsregime staan de Dennendalse idealen, en de problemen die het opleverde om ze te realiseren, zelfs centraal. Tonkens plaatst de affaire bovendien binnen de ontwikkelingen die zich in de jaren zestig voordeden in de verstandelijk gehandicaptenzorg, de wetenschap en de `tegencultuur'. Ten slotte formuleert Tonkens een prikkelende these: de vernieuwers hebben de slag destijds weliswaar verloren, maar hun ideeën hebben de oorlog vervolgens gewonnen, zij het in aangepaste vorm. Onder de toenmalige hemelbestormers mag de Dennendal-affaire bekend staan als het einde van de jaren zestig, voor de zwakzinnigenzorg is dat beeld niet terecht: de jaren zestig begonnen daarna in die sector pas goed.

In haar voorwoord maakt Tonkens (1961) duidelijk dat haar boek het resultaat is van een persoonlijk engagement. `Net als sommige andere kinderen van de jaren zestig ben ik opgevoed voor een tijd die nooit is gekomen', verzucht ze, voor `een tijd waarin prestatie- en carrièredwang, status, macht en maatschappelijke ongelijkheid zouden zijn vervangen door authenticteit, creativiteit, vrijheid en gelijkheid.' Ze betreurt het dat die idealen tegenwoordig geen expliciete rol meer spelen in het publieke debat.

Toen de 32-jarige Carel Muller in 1969 aantrad als `psychologisch directeur' van Dennendal, waren de `sixties' net aan hun zegetocht door West-Europa begonnen. De nieuwe directeur had de tijd mee, ook in de zwakzinnigenzorg. Psychologen hadden zich in het algemeen al meer macht weten te verwerven tegenover de psychiaters. Op Dennendal kreeg Muller zelfs bijna vrij spel. Hij kwam terecht in een `deskundigheidsvacuüm'. Binnen de Willem Arntsz Hoeve stond de zwakzinnigenzorg in laag aanzien. Een wetenschappelijke staf was er niet; psychiaters bemoeiden zich nauwelijks met de afdeling.

Slaapzalen

Muller was aangenomen voor gedragstherapie, maar die vond hij nutteloos. Dat was maar mensen leren `met een stokje een blokje in een gat te slaan'. Bovendien ergerde hij zich aan de kille slaapzalen en aan het grote belang dat werd toegekend aan orde, hygiëne, arbeidstherapie en medicatie. Hij besloot zich toe te leggen op een `zelfontplooiingsregime', een vorm van zorg en organisatie die gericht was op `spontane zelfontplooiing'. Het ideaal was ontleend aan de humanistische psycholoog Abraham Maslow, volgens wie zelfontplooiing een algemeen menselijke behoefte was die iedereen ten goede kon komen. Dáár moest het dus om gaan op Dennendal, zowel voor het personeel als voor de pupillen. Wetenschappelijke deskundigheid en orde werden verworpen als `blokkades voor de zelfontplooiing'. `Gewoon samen mens zijn' werd het streven. Muller formuleerde ook het doel van `verdunning': het bouwen van woningen voor `normale' mensen op het terrein van Dennendal, zodat een sociale mengeling zou ontstaan van `zwakzinnigen en zachtzinnigen'.

Wederzijds konden die volgens Muller van elkaar leren. Zwakzinnigen, predikte hij, waren zelfs een lichtend voorbeeld voor de westerse mens. Die was immers, zoals Erich Fromm en Herbert Marcuse lieten zien, door de kapitalistische prestatiedwang en het alom heersende consumentisme `vervreemd' geraakt van zijn ware aard en behoeften, Zwakzinnigen daarentegen hechtten geen waarde aan geld of carrière. Bovendien waren ze de ultieme belichaming van de `spelende mens', het ideaal dat de provo's propageerden als alternatief voor het saaie `klootjesvolk'. Zwakzinnigen waren speels en natuurlijk, ze communiceerden `direct' en zonder `masker'.

Tonkens plaatst Dennendal in haar boek treffend binnen die romantische onderstroom van de jaren zestig. De van oorsprong goede, creatieve mens had, zo luidde het `sprookje', zijn ziel verkocht aan de duivels van rationalisme en kapitalisme. Een zondeval die gelukkig nog ongedaan kon worden gemaakt, omdat sommigen eraan waren ontsnapt. Zoals zwakzinnigen. Muller plaatste hen op een voetstuk zoals de `anti-psychiaters' R.D. Laing en Jan Foudraine dat deden met geesteszieken als schizofrenen. Ook die zouden gezonder zijn dan de `normale' mensen die maar meedraaiden in de `krankzinnige' maatschappij.

Mannenwerk

Muller selecteerde zijn personeel op hun maatschappijvisie en persoonlijkheid. Dennendal bleek opmerkelijk genoeg vooral aantrekkelijk voor mannen. Begin 1974 werkten er bijna tweemaal zoveel mannelijke als vrouwelijke groepsleiders, velen van hen dienstweigeraars. `Weiger dienst en kom oorlog voeren op Dennendal!', was volgens Tonkens hun mentaliteit. Gaandeweg ontstond er een anti-autoritair `gezin', waarin praten, luisteren en knuffelen voorop stonden. Gezelligheid was belangrijker dan orde en hygiëne.

Het medicijngebruik werd, geheel in lijn met die filosofie, beperkt. Pupillen mochten niet de dupe worden van de intolerantie van personeelsleden voor `lastig' gedrag. Er kwam een biologisch-dynamische moestuin en een `theetuin', bedekt met perzische kleden en compleet met `nieuwigheden als kruidenthee en de geur van hasjiesj'. Openlijke masturbatie was toegestaan, deuren tussen de mannen- en vrouwenafdelingen werden opengezet. `Wij gingen zelf ook met iedereen naar bed als we de kans kregen', zegt een groepsleider. En: `een enkele [zwakzinnige] vrouw maakte weleens een nummertje om geld te krijgen. We letten wel op of ze niet uitgebuit werd'.

Zulke laconieke uitspraken wekken bij de lezer van Het zelfontplooiingsregime het verlangen naar observaties of herinneringen van niet-ideologisch bevlogen buitenstaanders. Maar Tonkens op zichzelf sympathieke streven om het `kind' van de jaren zestig te redden van het badwater, leidt tot een wat eenzijdige nadruk op de uitdragers van het zelfontplooiingsideaal. Ouders van pupillen en critici van Dennendal komen veel minder aan het woord. Tonkens beschrijft hoe een ouderpaar hun dochter bij een onverwacht bezoek aantreft: `In haar kamer was het donker, ze deden het licht aan en zagen Simone in bed (...) kletsnat, ook haar haren. Simone had alleen een jasje aan. In de hoek van het vertrek was een man die de ouders niet kenden. Hij was vreemd gekleed; er was een kleedje in de kamer'. De vader, schrijft een anti-Mulleriaanse maatschappelijk werker in zijn rapport, `kreeg de indruk dat deze man (een soort hippie) een dienst hield. In het vertrek was tevens een leeg beslapen bed. De ouders kregen de indruk dat Simone gestraft was.' De ontstelde ouders droogden hun dochter af en vertrokken, vol twijfels.

`Het lijkt erop dat de ouders en de `soort hippie' helemaal niet met elkaar gesproken hebben', merkt Tonkens over dit incident op. `Het kleedje, het water op de vloer, het beslapen bed en de man in de kamer worden in de tekst eenzelfde soort vreemde voorwerpen die niet in een zwakzinnigeninrichting thuishoren, en waar ouders dus ook niets mee te maken willen hebben.' Daarmee suggereert ze dat de bewuste ouders te bang of te bekrompen waren om even een praatje te maken met de hippie-verpleger. Net als de rest van de samenleving fixeerden ze zich kennelijk op lang haar, seks en drugs, zonder te begrijpen wat men op Dennendal eigenlijk beoogde. Maar waarom deze ouders, of andere, niet opgespoord en gevraagd hoe zij op de affaire terugkijken?

Volgens Tonkens ging het op Dennendal niet om een simpel gevecht tussen een `medisch' model, waarin artsen alles bepalen en ordehandhaving centraal staat, en een `pedagogisch' model, met een grotere rol voor verpleegkundigen en meer aandacht voor de pupillen. Medici stonden in Dennendal immers niet aan het hoofd en pedagogische beginselen waren in de zwakzinnigenzorg al geaccepteerd. Wel waren er op Dennendal problemen met de orde. In het eerste conflict, in 1971, waren het de behoudende hoofdverpleegkundigen die zich stoorden aan de informele zelfontplooiingsorganisatie. Ze waren boos omdat Muller hun macht had ondergraven. Bovendien zou het personeel dat hij naar Dennendal haalde onkundig zijn en `egoïstisch'. De mensen met een `provo- of hippie-uiterlijk' dachten vooral aan de eigen gezelligheid.

Een anti-Mulleriaan stapte naar de Telegraaf om zijn gal te spuwen. Daarmee begon het mediacircus. ``Den Dolder' draait dol door Kabouters!', kopte de krant begin 1971. Stoned personeel zou zelfs verantwoordelijk zijn voor een geval van verdrinking. Een inderhaast ingestelde overheidscommissie stelde dat niet vast, maar repte in haar rapport wel over personeelsleden met `hippe kledij en weelderige haardracht', die `duidelijk deviant gedrag' vertoonden. Voor de progressieve pers stond het omgekeerde vast: de vernieuwers op Dennendal waren slachtoffers van autoritaire en burgerlijke bekrompenheid. De `linkse' berichtgeving legde de Mullerianen geen windeieren. Na een storm van protesten trad het hele bestuur van de Willem Arntsz Stichting af.

Maar daarna ging het mis. Er kwam een interim-bestuur dat aanvankelijk progressief leek. Bij gebrek aan een duidelijke vijand begon de revolutie haar eigen kinderen op te eten. De vernieuwers zelf gingen zich ergeren aan het gebrek aan orde. Het `gewoon samen mens zijn' liep uit op meningsverschillen, botte schofferingen en schisma's binnen de staf. De `informele democratie' leidde in de dagelijkse praktijk tot het recht van de sterkste. Ook kreeg men opnieuw externe problemen. Het interim-bestuur, onder leiding van voormalig minister van Sociale Zaken Veldkamp – net als staatssecretaris Hendriks van Volksgezondheid lid van de KVP – bleek alsnog tamelijk autoritair.

Vanaf de zomer van 1973 vocht Muller dan ook als een tijger voor zelfbestuur van Dennendal. Hij maakte een interne tegenstander op pesterige wijze het werk onmogelijk, werd ontslagen, maar ging door. Een `schaduwbestuur' voor `Nieuw Dennendal' werd geïnstalleerd, met prominenten als Renate Rubinstein, Bram Peper en Piet Reckman, de goeroe van radicale `sociale actie'. Sympathiserende politici en journalisten werden ingeschakeld. Het mocht niet baten. In 1974 volgde de apotheose van het experiment: de ontruiming.

In beide conflicten rond Dennendal had de buitenwacht volgens Tonkens een verkeerd beeld van de situatie. Men dacht dat de Mullerianen vochten voor `formele' democratisering: officiële medezeggenschap via reguliere inspraakorganen. Maar dat was Muller veel te bureaucratisch, stelt Tonkens terecht vast. De democratisering op Dennendal moest `informeel' verlopen: daarom was alle hiërarchie afgeschaft. Maar als dat zo is, kun je je afvragen of Tonkens niet wat eufemistisch is over Mullers bedoelingen. Was hij niet eigenlijk een volbloed anarchist? Dat zou niet zo verwonderlijk zijn: onder de provo's en Kabouters waarmee hij zich verwant voelde was het anarchisme een geliefd kernthema.

Ook bij de aanloop tot de ontruiming laat Tonkens de actieve en zelfs oorlogszuchtige rol van Muller nogal onderbelicht. Overspeelde hij niet zijn hand? Misschien hoopte hij, overmoedig geworden door de vorige overwinning, dat hij het ook dit keer zou redden met steun van de pers, de publieke opinie en progressieve politici. Tonkens gaat helaas wel erg kort in op de gepolariseerde maatschappelijke verhoudingen die Nederland begin jaren zeventig beheersten en die voor een goed begrip van de Dennedal-zaak ook belangrijk zijn. Met de protesten tegen de volkstelling in 1971 bereikte de burgerlijke ongehoorzaamheid haast euforische vormen. Toen twee jaar later het kabinet-Den Uyl werd geïnstalleerd, leek een Nieuwe Tijd aan te breken, waarin geoogst zou worden wat in de jaren zestig was gezaaid. Muller had de wind van die vernieuwing in de rug, maar hij overschatte de kracht ervan. Zijn radicale, naar anarchisme neigende variant van zorgvernieuwing, die hem vergelijkbaar maakt met bijvoorbeeld R.D. Laing, was te hoog gegrepen.

Maakbaarheid

Toch heeft `Dennendal' in veel opzichten gewonnen, concludeert Tonkens. De aandacht voor `humane' zwakzinnigenzorg is sindsdien sterk toegenomen, zoals blijkt uit de verontwaardiging over de naakt geketende Jolanda Venema. Overal heeft de groepsleiding meer zeggenschap gekregen. `Verdunning' is tegenwoordig een gangbaar ideaal, zij het zonder de maatschappijkritiek van weleer. Zelfontplooiing bleef ook een belangrijk streven, alhoewel het langzaam is veranderd in een streven naar `autonomie'. Zwakzinnigen moeten nu vooral mondig en zelfstandig worden.

Tonkens signaleert zo een interessante omdraaiing van de verhoudingen tussen individu en samenleving. In de jaren vijftig werd het individu geacht zich aan te passen aan de maatschappij. In de jaren zestig moest juist de maatschappij veranderen. In de liberale jaren negentig ligt de joker weer bij het individu, maar nu met veel meer aandacht voor diens autonomie en zelfontplooiing. Bij uitstek in de gezondheidszorg, aldus Tonkens, omdat daar de prestatiemoraal nu eenmaal per definitie wordt getemperd. Een verstandelijk gehandicapte kan niet worden verweten dat hij zijn kansen niet heeft gegrepen, niet genoeg heeft gewild, of niet genoeg zijn best heeft gedaan.

Juist in de zwakzinnigenzorg zijn de jaren zestig dus geslaagd. Tonkens pleit echter ook voor `onderzoek tussen de verschillende domeinen waar in de jaren zestig alles anders moest', om na te gaan hoe het elders zit met de invloed van de oude idealen. Is het succes van de jaren zestig in de verstandelijk-gehandicaptenzorg uitzonderlijk, omdat het gaat om een kwetsbare groep? Of zijn de `sixties' ook elders nog invloedrijk, zij het in aangepaste vorm? Zo is de hippie-held Maslow tegenwoordig vooral populair in het bedrijfsleven; werknemers moeten zich optimaal leren zich te `realiseren'.

Intussen blijft de vraag wel, in hoeverre de gangmakers van destijds ook zelf van `succes' zouden spreken, nu hun ideaal van zelfontplooiing is geannexeerd door het neoliberale marktdenken. Dat kan tenslotte ook, om met Marcuse te spreken, gezien worden als een schoolvoorbeeld van repressieve tolerantie, het onschadelijk maken van subversieve ideeën door ze in te lijven. Juist de drang tot hervorming van de maatschappij is immers verdwenen, en dat was ooit toch de spil waar alles om draaide, en de reden dat we nu nog bezig zijn de balans op de maken van de jaren zestig.

Carel Muller is in elk geval effectief geëlimineerd. Na een carrière als MBO-docent legde hij zich opnieuw toe op `wat de maatschappij had afgedankt: afgedankte fietsen en koelkasten'.

Evelien Tonkens: Het zelfontplooiings-regime. De actualiteit van Dennendal en de jaren zestig. Bert Bakker, 285 blz. ƒ39,90