Een mollenleven is 30 km lang

Overal op het weiland liggen kleine zandhoopjes. Vijf, tien, twintig, vijftig, het zijn er wel honderd. Alsof het weiland bezaaid is met mini-vulkaantjes. Maar het zijn geen vulkanen, het zijn molshopen. En iedere dag komen er een paar bij. Weet je wat dat betekent? De mollen komen weer naar boven gekropen. De hele winter hebben ze diep onder de grond geleefd, maar nu het voorjaar aanbreekt graven ze zich een weg naar boven. Ze graven, en graven. Soms wel drie meter omhoog. Geen enkele mol vindt dat een probleem. Een mol doet namelijk zijn hele leven niks anders dan graven. Daar heeft hij korte, brede poten voor met grote, sterke nagels. Het lijken wel kolenschoppen. Met die speciale poten graaft hij tunnels. Naar links, naar rechts, omhoog, omlaag. Zo maakt hij een heel gangenstelsel onder de grond. Een mol kan 20 meter gang per dag graven en hij kan vier jaar oud worden. Reken maar uit: als hij iedere dag 20 meter zou graven, dan heeft hij na vier jaar bijna dertig kilometer gegraven.

De mol leeft tussen het zand. Hij heeft zand boven hem, onder hem, voor hem. Krijgt hij dan geen zand in de ogen? Of in de oren? Nee. Want er zit een dun lapje huid over zijn kleine ogen. En oorschelpen heeft hij bijna niet. Ze zijn klein en liggen verborgen in zijn pels. Het oorgaatje kan worden afgesloten zodat er geen zand in kruimelt. Net als de neus. Die kan ook dicht.

Een mol wordt ongeveer 15 centimeter groot. Hij heeft een spits toelopende kop en een gevoelige neus. Hij kan heel goed ruiken, maar zien doet hij slecht. Dat is niet zo vreemd. Wat zou je moeten zien als je de hele dag onder de grond, in donkere tunnels rondkruipt.

De vacht van de mol is fluweelzacht. De haren kunnen alle kanten op bewegen. En dat is heel handig. In de smalle tunnels kan de mol zich namelijk amper draaien. Hij moet ook wel eens stukken achteruit lopen. Omdat de haren makkelijk meegeven kost hem dat geen moeite.

Het gangenstelsel van de mol is een ingewikkeld bouwwerk. De centrale nestkamer ligt ongeveer een meter onder de grond. Daar groeien de jonge mollen op. Een mol krijgt een of twee keer per jaar jongen. Per keer worden er een tot zeven jongen geboren.

Vanuit het onderaardse gangenstelsel lopen er gangen naar boven. Dat noemen ze luchtkokers. Om zo'n koker te maken, moet een mol een gang naar boven graven. Als hij bijna boven is duwt hij de grond met zijn neus voor zich uit. Er ontstaat dan een heuveltje op het gras. Dat is de molshoop. Boven in zit een gat. Daar komt frisse lucht door naar binnen. Oude, muffe lucht kan naar buiten. Zo zorgt de mol ervoor dat de lucht in zijn gangenstelsel voortdurend wordt ververst.

Mensen zijn vaak kwaad op mollen omdat ze aan de wortels van planten zouden vreten. Daarom zetten die mensen vallen en klemmen. Als de mol daarin loopt gaat het: KLAP! De klem slaat dicht en doodt de mol. Maar mollen eten bijna helemaal niet aan de wortels van planten. Ze eten vooral regenwormen en insectenlarven. En dat zijn nou juist de boosdoeners. Larven eten dolgraag plantenwortels. De mol beschermt de plant dus eigenlijk door zich iedere dag vol te vreten met lekkere sappige larven.